Rb. Den Haag 29 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7233 – Boete heeft formele rechtskracht. BO neemt nieuw besluit strekkende tot het wijzigen van de boete in een waarschuwing. Overtreder kan overtreding en overtrederschap weer integraal ter discussie stellen.
Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak: 29 april 2025
Datum publicatie: 13 mei 2025
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2025:7233
Fragment:
Wat oordeelt de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser betoogt terecht dat sprake is van een nieuw besluit (dat dient ter vervanging van een ander besluit) en niet een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerst lid, van de Awb. Die bepaling vindt immers alleen toepassing indien tijdens een bezwaar- of beroepsprocedure een vervangend besluit wordt genomen en die situatie deed zich ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet voor. Verder stelt het college zich ten onrechte op het standpunt dat de omstandigheid dat het boetebesluit formele rechtskracht heeft, betekent dat in bezwaar slechts kan worden beoordeeld of de boete terecht in een waarschuwing is gewijzigd. Het college miskent daarmee dat de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend ziet op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet ook op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen.1 De formele rechtskracht van het boetebesluit ziet daarom uitsluitend op het rechtsgevolg van dat besluit dat eiser een boete moet betalen (welke met het primaire besluit is gewijzigd in een waarschuwing). De formele rechtskracht van het boetebesluit ziet niet op het feitelijke oordeel dat het college daaraan ten grondslag heeft gelegd (dat eiser niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden heeft verricht en inkomen heeft ontvangen) en het hierop gebaseerde juridische oordeel (dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden). Dat betekent dat eiser in de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit in volle omvang het daaraan ten grondslag liggende feitelijke en juridische oordeel van het college over de schending van de inlichtingenverplichting kon bestrijden.
5.1.
Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering en is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Om het geschil tussen partijen finaal te beslechten, zal de rechtbank hierna het bezwaar van eiser inhoudelijk beoordelen.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7233