Rb. Limburg 24 april 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:3916 – Handhaving onevenredig. Overtreder wordt gedwongen om stallen in oude (vervallen) toetstand terug te brengen, waarna hij die wederom mag verbouwen. Verzoeker om HH wil stallen echter compleet verwijderd hebben. Waartoe dient de handhaving?
Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak: 24 april 2025
Datum publicatie: 2 mei 2025
ECLI: ECLI:NL:RBLIM:2025:3916
Fragment:
28. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
28.1.
Uit de Harderwijk-uitspraak volgt dat bij de toetsing of een besluit evenredig is, gekeken kan worden naar de vraag of het besluit geschikt is om het beoogde doel te bereiken, of het besluit noodzakelijk is om dat doel te bereiken (waarbij ook beoordeeld wordt of met een minder vergaande maatregel kon worden volstaan) en of het besluit in het concrete geval evenwichtig is, dus of het besluit als dat op zichzelf geschikt en noodzakelijk is, in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is voor de belanghebbende. De voorzieningenrechter beoordeelt hierna of het handhavingsbesluit in dit geval noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken en of de maatregel in dit concrete geval evenwichtig is.
28.2.
Hoewel de voorzieningenrechter het college kan volgen in zijn standpunt dat de (planologische) regels moeten worden nageleefd, plaatst hij wel kanttekeningen bij de vraag of handhavend optreden in dit geval evenredig is, met name bij de vraag naar het doel van handhaving en daarmee de noodzaak daarvan. Het handhavingsbesluit ziet op het terugbrengen in de rechtmatige, vergunde staat.14 Dat betekent dat de stallen moeten worden teruggebracht in de (vervallen) staat waarin zij verkeerden vóór de verbouwingswerkzaamheden, waarna vergunningvrij (dus minder vergaand dan nu uitgevoerd) onderhoud mogelijk is.
28.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat de belangen van de derde-partij (de verzoeker om handhaving) daarmee niet gediend zijn nu duidelijk is dat zij willen dat de stallen in hun geheel verwijderd worden en het niet (of nauwelijks) gaat om de wijzigingen die aan de stallen zijn aangebracht. In dit verband kan ook nog opgemerkt worden dat vanuit het woonperceel van de derde-partij, voor zover de voorzieningenrechter heeft kunnen vaststellen, niet of nauwelijks zicht bestaat op de stallen.
28.4.
Over het algemeen belang overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het (algemeen) belang dat het college noemt ziet op met name op de openheid van het landschap, dat wordt verstoord en/of ontsierd door de stallen. Het onder 28.2 genoemde, (in redelijkheid) te bereiken doel met handhaving, namelijk het terugbrengen van de stallen in hun oorspronkelijke staat (waarna vergunningvrij onderhoud mogelijk is), wordt door het handhavend optreden niet bereikt.
28.5.
In dit verband overweegt de voorzieningenrechter verder dat het college aanvankelijk een, weliswaar tijdelijke, omgevingsvergunning had verleend voor de verbouwing van de stallen.15 Die omgevingsvergunning heeft het college enkel door het ingediende bezwaar van de derde-partij – op wiens belang onder 28.3 is ingegaan – herroepen, echter met geen andere motivering dan: “De aan u verleende vergunning moet namelijk verleend worden met de uitgebreide procedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb”.16 De commissie heeft hierover in haar advies aan het college het volgende gezegd: “Er bestaat dus een reële kans dat het college de beslissing op de aanvraag moet voorbereiden met behulp van de uitgebreide procedure (…). Waarschijnlijk moet de beslissing op de gehele aanvraag worden voorbereid met behulp van de uitgebreide procedure als bedoeld in afd. 3.4 Awb. In dat geval moet het college volstaan met de herroeping van het bestreden besluit, om de aanvraag en de daarbij behorende stukken ter inzage te leggen (…). Als de beslissing op de aanvraag toch met behulp van de reguliere procedure kan worden voorbereid, moet het college (…) nader onderzoek laten verrichten (…). Op dit moment kan de commissie niet beoordelen of de omgevingsvergunning (…) in stand kan blijven. (…) De commissie adviseert het college (…) om het bestreden besluit te herroepen (…) dan wel aan te vullen (…)”. De voorzieningenrechter constateert dat aan de herroeping van de aanvankelijk verleende vergunning – die het college dus kennelijk aanvaardbaar vond – enkel een formele motivering ten grondslag ligt die inhoudt dat de onjuiste procedure is gevolgd. Een inhoudelijk motivering voor de weigering van de vergunning is niet gegeven. De aanvankelijke vergunningverlening laat zich moeilijk rijmen met het belang dat het college thans kennelijk aan handhaving hecht en de herroeping van die omgevingsvergunning ontbeert een motivering van dat belang.
28.6.
Daar komt bij dat de oorspronkelijke stallen vergund en dus legaal zijn en dat daarop dus het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ op van toepassing geworden is. Op grond van dat overgangsrecht – dat nog steeds geldt ingevolge het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat gevormd wordt door dit bestemmingsplan – mogen de stallen gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de afwijking van het bestemmingsplan naar aard en omvang niet wordt vergroot. De vraag of van dit laatste sprake is laat de voorzieningenrechter in het midden, maar de voorzieningenrechter stelt wel vast dat de stallen, na in 1997 te zijn wegbestemd en dus onder het overgangsrecht zijn gebracht, in 2014 opnieuw onder het overgangsrecht zijn gebracht in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’. Dat opnieuw onder het overgangsrecht brengen staat hier niet ter discussie – het betreffende bestemmingsplan is immers onherroepelijk en is geldend recht waarvan de voorzieningenrechter moet uitgaan – maar in het kader van de evenredigheidstoets is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel relevant. De Afdeling heeft over opnieuw onder het overgangsrecht brengen het volgende overwogen: “Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in gevallen als hier aan de orde in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd”17en: “Overgangsrecht is echter, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 november 2004 in zaak nr. 200306936/1) niet bedoeld voor gebruik dat niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dit brengt met zich dat gebruik dat reeds onder het overgangsrecht van het vorige plan viel, in beginsel niet opnieuw onder het overgangsrecht mag worden gebracht. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2010 in zaak nr. 200904762/1/R3; www.raadvanstate.nl) kan onder omstandigheden het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van het bestaande gebruik van een perceel aanvaardbaar zijn. Daarvoor is in ieder geval vereist dat voldoende aannemelijk is dat deze vorm van gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd”.18Specifiek over het bouwovergangsrecht heeft de Afdeling overwogen: “Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaande legale bebouwing kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op verwijdering van de bebouwing binnen de planperiode. Indien dit niet het geval is, dient de raad het bestaande legale bouwwerk planologisch in te passen, bijvoorbeeld door het als zodanig te bestemmen”.19 De voorzieningenrechter is gelet op deze jurisprudentie van oordeel dat het feit dat de stallen inmiddels gedurende ruim 25 jaar onder het overgangsrecht vallen, in ogenschouw had moeten worden genomen bij de (belangen)afweging omtrent handhavend optreden. Dat had moeten gebeuren aan de hand van de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het aanvaardbaar is dat de ooit vergunde bouwwerken, zonder zicht op verwijdering daarvan, niet alsnog worden gelegaliseerd. Het college heeft dat niet gedaan.
28.7.
Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden tegen de bouwwerkzaamheden in dit geval evenredig is. Het college had moeten beoordelen wat het effect van die bouwwerkzaamheden is op de omgeving en het (open) landschap, uitgaande van legaal aanwezige stallen. Daarnaast had het college moeten beoordelen hoe handhavend optreden zich verhoudt met het feit dat de stallen zelf al lang aanwezig zijn en meermaals onder het overgangsrecht zijn gebracht zonder dat er zicht bestaat op verwijdering daarvan. Dit laatste in het licht van de vraag of de stallen inmiddels niet positief bestemd hadden moeten worden, met de daarbij behorende bouwmogelijkheden.
28.8.
Het voorgaande geldt met name voor de bouwwerkzaamheden aan de stallen en niet voor de zonnepanelen. Maar ook ten aanzien daarvan ontbreekt een duidelijke motivering waarom deze niet in het landschap passen en ongewenst zijn en waarom zich in dit geval dus geen bijzondere omstandigheden voordoen om af te zien van handhavend optreden. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat een dergelijke motivering wel kan worden gegeven, nu de zonnepanelen het uiterlijk van de stallen aanzienlijk veranderen en de stallen (in hoogte) vergroten.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:3916