Rb. Noord-Holland14 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13520 – Alleen een luchtfoto van een yurt is niet genoeg voor de Rb om een overtreding Ow aannemelijk te achten.

Instantie Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak: 14 november 2025

Datum publicatie: 25 november 2025

ECLI: ECLI:NL:RBNHO:2025:13520

Fragment:

Dienen eisers over een omgevingsvergunning voor de bouw van de yurt te beschikken?

6. De rechtbank merkt ten eerste op dat het college niet aanwezig was op de zitting en ook geen schriftelijk verweer heeft gevoerd. De rechtbank kan daarom alleen op grond van de beschikbare stukken in het door het college ingezonden dossier beoordelen of het college over kon gaan tot handhavend optreden. De rechtbank heeft zelf daarom geen nader feitenonderzoek kunnen doen.

7. De rechtbank moet eerst beoordelen of sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift.

7.1.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de yurt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo is gebouwd. In dit artikel is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Voor de vraag of de yurt is gerealiseerd in strijd met dit artikel is dus een voorvraag of de yurt kan worden aangemerkt als bouwwerk. Als een bouwwerk kwalificeert “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.2 In het primaire besluit stelt het college, dat de yurt voldoet aan deze vereisten. Het college heeft echter niet onderbouwd waar dat uit blijkt. Uit het overgelegde rapport blijkt niet uit welke materialen de yurt bestaat en evenmin hoe deze met de grond verbonden is. De yurt is alleen te zien op een luchtfoto. Alleen al hierom is het voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of met het plaatsen van de yurt het door het college aan het besluit ten grondslag gelegde wettelijk voorschrift is overtreden. Voorts blijkt uit de rapportage niet welke afmetingen de yurt heeft, op welke afstand deze zich bevindt van het oorspronkelijk hoofdgebouw of waar de yurt zich precies op het erf bevindt. Zodoende kan op basis van het rapport, althans enige door het college vergaarde informatie, niet worden vastgesteld of sprake is van een bouwwerk en ook niet of een van de uitzonderingen op de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, Wabo, zoals bedoeld in artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zich voordoet. Hoewel het college zich daar niet op heeft beroepen, maar daar wel aan heeft gerefereerd, valt ook niet vast te stellen of artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, misschien is overtreden, dan wel een uitzondering als bedoeld in artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zich voordoet. Dit alles betekent dat de rechtbank op grond van de beschikbare informatie niet kan vaststellen of sprake is van overtreding van de Wabo. Het college heeft dus en niet toereikend onderzocht en niet draagkrachtig gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo.

7.2.
Voorts kan op basis van de vergaarde – beperkte – gegevens ook niet vastgesteld worden dat er onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Dit is van belang omdat het college alleen handhavend kan optreden als er op grond van het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Uit het bestreden besluit volgt dat het college van mening is dat ook onder de Omgevingswet sprake is van een overtreding omdat de yurt niet zou passen binnen de bestemming ‘Groen’ in het Omgevingsplan gemeente Bergen NH (omgevingsplan). Hierbij gaat het college echter voorbij aan de mogelijkheid dat de yurt op grond van artikel 22.36, onder a, onder 2, van het omgevingsplan alsnog vergunningsvrij kan zijn. Omdat uit de stukken niet blijkt wat de afmetingen zijn van de yurt en verdere relevante gegevens ontbreken, kan de rechtbank deze stelling van het college ook niet op juistheid beoordelen. Ook op dit punt is het bestreden besluit dus gebrekkig voorbereid en gemotiveerd.

8. Ten aanzien van de stelling van eisers dat het hen op grond van artikel 4:18 Apv zou zijn toegestaan om een yurt op hun perceel te plaatsen, merkt de rechtbank op dat het college zijn handhavingsbesluit niet op de Apv heeft gebaseerd, zodat voor de vraag of zij een overtreding hebben begaan, toetsing aan die bepaling helemaal niet aan de orde is. De rechtbank merkt daar nog wel bij op dat in de Apv als wetgeving van lagere orde geen bepalingen konden worden opgenomen waarin van de Wabo kon worden afgeweken. Dat betekent, dat, als ten aanzien van de yurt inderdaad sprake zou zijn van een bouwwerk in de zin van de Wabo, de bepalingen uit de Apv helemaal niet in beeld zouden kunnen komen.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:13520