Rb. Noord-Holland, 19 januari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:270 – handhaving bemesten en beweiden – BO moet onderzoek doen. Het is dus niet de verzoeker die aannemelijk moet maken dat er géén bemesting en beweiding heeft plaatsgevonden tussen 2006 en het verzoek om handhaving. Het BO moet om om af te zien van handhaving juist aannemelijk maken dat de activiteiten wél plaatsvonden.

5.5.4

Over de omvang van de referentiesituatie geldt dat in de situatie dat op de gronden vanaf de referentiedatum ononderbroken een planologisch regime van kracht is geweest waaruit volgt dat bemesten is toegestaan, de referentiesituatie wordt begrensd door de stikstofgebruiksnorm voor grasland met volledig maaien, indien het planologische regime sinds 2006 onafgebroken het gebruik als grasland toestaat. Staat het planologische regime dat laatste niet toe, dan wordt de referentiesituatie voor bemesten begrensd door de hoogste stikstofgebruiksnorm voor enig gewas dat op de gronden planologisch is toegestaan.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij ten aanzien van veehouderij [bedrijfsnaam 3] en derde-partij sub 2 niet heeft onderzocht of op de gronden vanaf de referentiedatum ononderbroken een planologisch regime van kracht is geweest waaruit volgt dat bemesten is toegestaan. Verweerder heeft evenmin onderzocht of sinds 2006 tot nu op de gronden het gebruik als grasland planologisch is toegestaan. Verweerder heeft aangenomen dat dit zo is. Volgens hem ligt het op de weg van eiseressen het tegendeel met een begin van bewijs aannemelijk te maken.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uitgangspunt in handhavingszaken is blijkens de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3602, dat het in beginsel aan het bevoegd gezag is om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen naar de gestelde overtreding. Alleen in bijzondere situaties kan van de verzoeker om handhaving een begin van bewijs van de gestelde overtreding worden gevergd alvorens een verplichting tot (nader) onderzoek voor het bevoegd gezag ontstaat. Van een bijzondere situatie die te vergelijken is met de situatie in de uitspraak van 7 november 2018 is in dit geval geen sprake. Op verweerder rust dan ook de plicht om te onderzoeken of sprake is van de gestelde overtreding. Gelet op het stringente toetsingskader van de Wnb moet op basis van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten dat bemesten van gronden en/of het beweiden van vee door de veehouderijen significante gevolgen heeft. Het luistert dan ook nauw de referentiesituatie nauwkeurig vast te stellen. Het doen van aannames en steekproeven door verweerder valt daarmee niet te verenigen, ook niet als het (zoals in dit geval) gaat om een groot aantal zaken en daarmee om een omvangrijk onderzoek. Daar komt bij dat eiseressen hun verzoeken om handhaving hebben ingediend toen bemesten en beweiden nog vergunningplichtige activiteiten waren op grond van de Wnb. Voor het vaststellen van die vergunningplicht was niet van belang of de gronden voor de vroegste referentiedatum als landbouwgrond in gebruik waren. Het is ook daarom in dit geval aan verweerder om te controleren of is voldaan aan de voorwaarden om de referentiesituatie voor bemesten en/of beweiden, met inachtneming van het meermaals genoemde beoordelingskader, te kunnen vaststellen.

Gelet op het voorgaande staat ook voor de veehouderijen [bedrijfsnaam 3] en derde-partij sub 2 niet vast wat voor de percelen die die veehouderijen bemesten en/of beweiden de referentiesituatie is.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:270