Rb. Overijssel 12 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:688 – Geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel: college treedt niet handhavend op tegen andere te hoge hekwerken.
Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Datum publicatie: 25 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:RBOVE:2026:688
Fragment:
Gelijkheidsbeginsel
3.12.
In zijn beroepschrift voert [eisers] aan dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en dat het college ten onrechte in de beslissing op bezwaar niet is ingegaan op zijn beroep daarop. [eisers] heeft in bezwaar naar voren gebracht dat aan de [adres 2] eveneens een te hoog hekwerk aanwezig is aan de voorzijde van het perceel.
3.12.1.
De voorzieningenrechter is het met [eisers] eens dat het college in bezwaar niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Door het college is erkend dat aan de [adres 2] ook een te hoog hekwerk is gerealiseerd. Het had dan ook in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel op de weg van het college gelegen om in elk geval in het bestreden besluit uitsluitsel te geven over zijn besluitvorming ten aanzien van dat hekwerk. Het college heeft dat niet gedaan. Niet duidelijk is geworden of het college vindt dat er sprake is van een zodanig gelijk geval dat daartegen eveneens handhavend zal worden opgetreden. Dat het college daar nog geen concreet standpunt over heeft ingenomen en heeft volstaan met te wijzen op een verschil tussen het hekwerk bij [eisers] en dat op [adres 2], namelijk dat bij [eisers] er sprake is van een combinatie van een hekwerk en een te hoge schutting, overtuigt de voorzieningenrechter niet. In beide gevallen is er namelijk sprake van een woning dat als beeldbepalend element op het perceel kan worden aangemerkt en in beide gevallen is sprake van een hoog stalen hekwerk. In het voornemen van 20 februari 2025 heeft het college volstaan met de motivering “staat het beeldbepalende element in de hekken. Er is daardoor een belemmering van het uitzicht”. Dat ziet alleen op de invloed van het hekwerk op het zicht op het beeldbepalende element, te weten de woning. De voorzieningenrechter vermag zonder nadere motivering niet in te zien waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Het enkele feit dat in het geval van [eisers] er sprake is geweest van een melding van een omwonende en in het geval van Schutsweg 14 er geen sprake is van een melding volstaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als motivering. Uit de motivering van het college is dan ook niet overtuigend gebleken op welke relevante wijze de situatie aan de [adres 2] verschilt met de situatie bij [eisers], waardoor daar ten tijde van het bestreden besluit nog is afgezien van in elk geval nader onderzoek.
3.12.2.
In de aanvulling op zijn beroepschrift heeft [eisers] naar voren gebracht dat kort voor de zitting, namelijk op 13 januari 2026, ook bij [adres 2] een toezichthouder van het college een controle heeft uitgevoerd. Het college heeft dit op zitting ook bevestigd. In zoverre is er sprake van een begin van onderzoek. Onduidelijk is gebleven waartoe dat onderzoek zal leiden. Daarmee heeft het college ook ten tijde van de behandeling ter zitting geen duidelijkheid gegeven van zijn standpunt met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
3.12.3.
[eisers] heeft twee dagen voor de zitting in de aanvulling op zijn beroepsgronden ook gewezen op de [adres 3], [adres 4] en [adres 5], waarbij sprake zou zijn van een te hoog hekwerk en/of poort. Ook heeft [eisers] daarin vermeld dat hij in zijn zienswijze van 26 augustus 2025 gericht tegen het voornemen tot de afwijzing van de aanvraag van de omgevingsvergunning van 29 juli 2025 heeft gewezen op de poort en het hekwerk aan de [adres 4]. Het college heeft daar voorafgaand aan de beslissing op bezwaar in het handhavingstraject ten onrechte ook niet op geacteerd.
3.12.4.
De voorzieningenrechter zal de genoemde adressen echter niet betrekken bij de beoordeling van het beroep van [eisers] op het gelijkheidsbeginsel. Het kan het college niet verweten worden dat de situatie aan de [adres 3] en [adres 5] niet zijn onderzocht, aangezien deze slechts twee dagen voor de zitting door [eisers] zijn ingebracht. Ditzelfde geldt voor de [adres 4]. Weliswaar heeft [eisers] dit adres genoemd in zijn zienswijze gericht tegen het voornemen tot de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning, maar in zijn bezwaarschrift en beroepschrift in het handhavingstraject heeft hij daarop niet meer gewezen. Daarbij heeft het college ter zitting aangegeven dat de procedure omtrent de omgevingsvergunning al geruime tijd stilligt in afwachting van de uitkomst van dit handhavingstraject.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:688
Leave a Reply