Rb. Overijssel 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5410 – Rechtbank neemt aan dat NVWA ten tijde van het stellen van vragen aan de overtreder een verhoor aan het houden waren “gelet op de informatie die de inspecteurs voorafgaand […] al hadden verzameld.”

Print deze pagina

Instantie Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak: 28 augustus 2025

Datum publicatie: 3 september 2025

ECLI: ECLI:NL:RBOVE:2025:5410

Fragment:

Had de NVWA de cautie moeten geven en moeten wijzen op het recht op rechtsbijstand?

5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de NVWA de cautie had moeten geven aan de vertegenwoordiger van [eiseres] bij het verhoor, en had moeten wijzen op het recht op bijstand van een raadsman tijdens het verhoor (hierna ook: verhoorsbijstand). Nu dit niet is gebeurd, moet de opgelegde boete volgens [eiseres] worden vernietigd of sterk worden gematigd.

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog er niet toe kan leiden dat de bestuurlijke boete moet komen te vervallen of moet worden gematigd. Zij zal dit hierna uitleggen.

5.2.
Op grond van artikel 5:10a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen over de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

5.3.
Uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) vloeit voort dat degene aan wie een sanctie wordt opgelegd die is gebaseerd op een “criminal charge” in de zin van dat artikel, het recht heeft om bij zijn verdediging bijstand te hebben van een raadsman en om hierover te worden geïnformeerd. Degene tegen wie de “criminal charge” wordt uitgebracht, moet in elk geval zijn geïnformeerd over het recht op verhoorsbijstand voordat hij voor het eerst met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete wordt verhoord in de zin van artikel 5:10a van de Awb. Deze rechten zijn ook van toepassing bij bestuurlijke boetes. In dat geval hoeft de raadsman niet de hoedanigheid van advocaat te hebben.4

5.4.
Het rechtsgevolg van het ten onrechte niet geven van de cautie en het ten onrechte niet wijzen op het recht op verhoorsbijstand is, dat de afgelegde verklaringen – onder omstandigheden – niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en niet – zoals [eiseres] kennelijk meent – dat de boete moet worden vernietigd of gematigd.5

5.5.
Uit het boeterapport blijkt dat inspecteurs van de NVWA op 14 juli 2020 op het bedrijf van [eiseres] een gesprek hebben gevoerd met een vertegenwoordiger van [eiseres] en een medewerker van Kobra. Voorafgaand aan dit gesprek hebben de inspecteurs van de NVWA niet de cautie gegeven en hebben zij niet gewezen op het recht op verhoorsbijstand. Tijdens dit gesprek heeft de medewerker van Kobra aan de inspecteurs verteld dat de koeien naar buiten konden, maar dat veel koeien er vanwege de hitte de voorkeur aan gaven om in de stal te blijven bij de ventilatie en stalverneveling. Verder heeft hij hun verteld dat het aantal uren weidegang in de BEX-berekening van Kobra het gemiddelde is van alle koeien samen.

5.6.
De rechtbank gaat ervan uit dat het gesprek van 14 juli 2020 moet worden aangemerkt als een verhoor in de zin van artikel 5:10a van de Awb. Gelet op de informatie die de inspecteurs voorafgaand aan dit verhoor al hadden verzamelt, vindt de rechtbank het aannemelijk dat de inspecteurs tijdens dit gesprek vragen hebben gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete.6 De rechtbank stelt vast dat uit het boeterapport niet blijkt dat de vertegenwoordiger van [eiseres] tijdens dit gesprek een verklaring heeft afgelegd. Verder stelt de rechtbank vast dat de verklaring die de medewerker van Kobra op 14 juli 2020 heeft afgelegd niet is gebruikt voor het bewijs van de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de bestuurlijke boete. Hieruit volgt dat het buiten beschouwing laten van deze verklaring er niet toe kan leiden dat die boete moet komen te vervallen of moet worden gematigd. Daarom zal de rechtbank in het midden laten of de inspecteurs van de NVWA voorafgaand aan het gesprek van 14 juli 2020 de cautie hadden moeten geven aan de medewerker van Kobra en hem hadden moeten wijzen op het recht op verhoorsbijstand.

5.7.
Uit het boeterapport blijkt dat de inspecteurs van de NVWA per e-mail van 24 september 2020 vragen hebben gesteld aan [eiseres] en dat een medewerker van Kobra deze vragen namens [eiseres] heeft beantwoord in een e-mail van 8 oktober 2020. De rechtbank stelt vast dat in de e-mail van 24 september 2020 staat dat [eiseres] niet verplicht is om de schriftelijke vragen te beantwoorden. Hieruit volgt dat, voor zover de inspecteurs van de NVWA verplicht waren om de cautie te geven, aan deze verplichting is voldaan.

5.8.
Verder stelt de rechtbank vast dat de inspecteurs van de NVWA [eiseres] bij het stellen van de schriftelijke vragen niet hebben gewezen op het recht op verhoorsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de NVWA daartoe wel gehouden was, dit geen reden is om de verklaring die is gegeven in de e-mail van 8 oktober 2020 uit te sluiten van het bewijs. Daartoe overweegt zij dat het recht op verhoorsbijstand is bedoeld om te voorkomen dat de ondervraagde onder psychische druk verklaringen aflegt, waarvan niet meer kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd. Van dergelijke omstandigheden was hier geen sprake. Ook is er geen reden om te oordelen dat de procedure in het geheel niet eerlijk is verlopen. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de verklaring die is gegeven in de e-mail van 8 oktober 2020 later niet is ingetrokken of gewijzigd. Daarnaast is van belang dat de vragen schriftelijk zijn gesteld, dat [eiseres] ruim de tijd heeft gehad om deze vragen te beantwoorden en dat zij de mogelijkheid heeft gehad om voorafgaand aan het beantwoorden van de vragen een raadsman te raadplegen en om zich bij het beantwoorden van die vragen te laten bijstaan door een raadsman. [eiseres] heeft de vragen ook niet zelf beantwoord, maar heeft de vragen laten antwoorden door een medewerker van Kobra die later in de procedure ook namens [eiseres] is opgetreden bij het indienen van de zienswijze naar aanleiding van het voornemen tot het opleggen van een boete. Ook is van belang dat de inspecteurs [eiseres] bij het stellen van de schriftelijke vragen hebben gewezen op haar zwijgrecht, dat [eiseres] in de beroepsprocedure wel is bijgestaan door een raadsman en dat uit de gang van zaken niet kan worden afgeleid dat bij de beantwoording van de vragen ongeoorloofde druk is uitgeoefend.

5.9.
Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:5410

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *