Rb. Rotterdam 21 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2365 – bestuurlijke boete – verweerder heeft ten onrechte op de zaak betrekking hebbende stukken geweigerd. Ook stukken waarvan de overtreder kan motiveren dat deze van belang zijn voor de verdediging, horen in het dossier – ook als die niet voor de besluitvorming zijn gebruikt.

Het Wob-verzoek van eiseres en de op de zaak betrekking hebbende stukken

5. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet de beschikking heeft gekregen over alle gegevens waarop de bestuurlijke boete berust. Het kan niet zo zijn dat de minister hangende een ernstig vertraagde afhandeling van een Wob-verzoek overgaat tot boeteoplegging, althans niet bereid is om de voorgenomen boete aan te houden totdat op het Wob-verzoek is beslist. Afwijzing van die aanhouding is dan ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiseres had wel degelijk recht op en groot belang bij een tijdige afwikkeling van haar Wob-verzoek zodat zij had kunnen beschikken over deze en andere stukken om zich in de volle breedte te kunnen verweren. De conclusie blijft dan ook dat zij is benadeeld door deze gang van zaken en de minister ten onrechte het verzoek om de zaak aan te houden totdat op het Wob-verzoek was beslist, naast zich neer heeft gelegd. Het bestreden besluit kan reeds hierom niet in stand blijven.
5.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres voorafgaand aan de boeteoplegging de beschikking heeft gekregen over de gegevens waarop (het voornemen tot) de bestuurlijke boete berust, zoals het rapport van bevindingen. Zij beschikte dus over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De bevoegdheid van de minister om een boete op te leggen staat geheel los van een beslissing in een lopende Wob-procedure. De enkele omstandigheid dat uit de inmiddels openbaar gemaakte stukken blijkt dat er overleg heeft plaatsgevonden, betekent nog niet dat dit ook een rol heeft gespeeld bij de boeteoplegging. Van strijd met het equality of arms-beginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake. De minister stelt dat de toenmalige minister heeft aangegeven dat hij (na overleg met de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) akkoord is met de handhavingsaanpak door de NVWA, overeenkomstig het interventiebeleid. Andere informatie kan niet uit de documenten worden afgeleid. Dat er politieke overwegingen ten grondslag liggen aan de besluitvorming blijkt niet uit de documenten. Voorafgaand aan deze boeteoplegging is eiseres eerst gewaarschuwd en heeft zij de kans gekregen om de geconstateerde overtredingen op te lossen. Tijdens de herinspectie is echter gebleken dat de geconstateerde overtredingen niet waren opgelost. De waarschuwing was dus terecht en daarom kon de bestuurlijke boete aan eiseres worden opgelegd. Een Wob-procedure dient het belang van openbaarheid en heeft niet tot doel om individuele rechtsbeschermingsbelangen te dienen. De timing van het besluit op het Wob-verzoek, zo kort voor de hoorzitting, was wel ongelukkig. Nu eiseres tijdens de bezwaarprocedure niet heeft verzocht om uitstel, omdat zij meer tijd nodig had om de openbaar gemaakte stukken te beoordelen op relevantie voor het bezwaar heeft de minister conform het advies geen reden gezien om hier in het bestreden besluit consequenties aan te verbinden.

5.2.

Deze beroepsgrond is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep.

5.2.1.

Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) moet een belanghebbende in een procedure waarin hij opkomt tegen een opgelegde boete in staat worden gesteld om alles aan te voeren wat hij in het belang van zijn verdediging noodzakelijk acht. Uit de omstandigheid dat een belanghebbende die opkomt tegen een opgelegde boete in staat moet worden gesteld om alles aan te voeren wat hij in het belang van zijn verdediging noodzakelijk acht, volgt niet dat ondernemingen die van de minister een boete opgelegd hebben gekregen en zich daartegen verweren, zonder meer toegang hebben tot stukken die de minister niet ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit en die zich bevinden in andere dossiers van de minister. Alleen als de onderneming motiveert waarom stukken die zich bevinden in bedoelde andere dossiers, maar waarop de minister het boetebesluit niet heeft gebaseerd, voor haar verdediging van belang zijn, kunnen dergelijke stukken worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, of – in de rechterlijke fase – artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende gemotiveerd uiteengezet dat de stukken van belang konden zijn, om te bezien, nu er Kamervragen waren gesteld, of haar vermoeden klopte dat de boeteoplegging slechts gebaseerd was op puur politieke overwegingen en een wettelijke basis ontbrak.

5.2.3.

Uit genoemde rechtspraak volgt dus dat de stukken die eiseres via de Wob-procedure heeft verkregen, zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. De minister had eiseres dus in het bezit moeten stellen van die stukken. De minister heeft dat echter niet gedaan, zodat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb tot stand is gekomen.

5.2.3.

De rechtbank zal dit gebrek echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet aannemelijk is dat eiseres daardoor is benadeeld. Zij heeft namelijk de stukken in het kader van de Wob-procedure inmiddels ontvangen en heeft in beroep adequaat kunnen reageren op de inhoud van die stukken. Eiseres heeft dat gedaan ten aanzien van zes documenten die zij ook aan de rechtbank heeft overgelegd, namelijk Wob-documenten 8.1, 9.1, 65, 77, 83 en 87. Deze reactie maakt deel uit van de beroepsgronden.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBROT:2023:2365