Rb. Rotterdam 24 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13026 – Matiging wettelijk gefixeerde boete van 8000 naar 2000 ivm beperkte ernst overtreding en draagkracht.
7.1.De hoogte van de bestuurlijke boete is in dit geval bij wettelijk voorschrift vastgesteld, namelijk in bijlage 4 ‘Bedragen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.4’ bij de Huisvestingsverordening 2021. Uit de relevante tabel volgt dat er bij een eerste overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 een boete van € 8000,- wordt opgelegd, zoals in dit geval ook is gebeurd. Eiser heeft niet aangevoerd dat het wettelijk voorschrift op dit punt niet met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, moet de hoogte van de boete worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan een lagere bestuurlijke boete oplegt als de wettelijk vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1266, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven om een boete te matigen. Voor zover de overtreder stelt dat een of meer van deze omstandigheden in dit geval aan de orde zijn, moet hij dat aannemelijk maken. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder het arrest van 7 juli 2012, Segame t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD000483706, vereist het recht op een eerlijk proces dat de rechter de hoogte van een door een bestuursorgaan opgelegde boete moet kunnen aanpassen als de feiten en omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.
De rechtbank merkt nog op dat het begrijpelijk is dat hennepkwekerijen in woonhuizen als ernstige overtredingen worden gezien, gelet op de mogelijke gevaarzetting, overlast, schadelijkheid voor de volksgezondheid en de instandhouding van (georganiseerde) criminaliteit. Die belangen worden echter niet door de Huisvestingswet, maar door andere wet- en regelgeving beschermd. Bij bestraffing voor onttrekking van woonruimte aan de woonruimtevoorraad moeten de door de Huisvestingswet beschermde belangen voorop staan.
7.3.Eiser heeft daarnaast een geringe financiële draagkracht. Eiser heeft een PW-uitkering en verweerder erkent dat hij weinig financiële speelruimte heeft. Bij het toekenningsbesluit voor de PW-uitkering is vermogen van eiser vastgesteld op € 123,68. Juist omdat eiser in de financiële problemen zat, is hij de hennepkwekerij gaan exploiteren. Niet aannemelijk is geworden dat hij van die hennepkwekerij heeft geprofiteerd. Vervolgens heeft eiser een aanzienlijk financieel nadeel geleden door de kosten van de ontmanteling van de hennepkwekerij en de afrekening van Stedin van de gestolen energie. Eiser heeft zijn huurwoning moeten verlaten en slaapt bij bekenden op de bank en moet rondkomen van een daklozenuitkering. Wat verweerder in het bestreden besluit stelt over de zorgtoeslag, het sportabonnement en de twee telefoonabonnementen van eiser overtuigt de rechtbank niet. Eiser heeft verklaard dat één van telefoonabonnementen afloopt en dat hij de sportschool vanwege de dakloosheid (ook) gebruikt om te kunnen douchen. Niet duidelijk is waarom verweerder in het geval van eiser vindt dat op cruciale uitgaven aan zorg en sport kan worden bespaard. Ook als dat wel zou kunnen, blijft de financiële draagkracht van eiser gelet op al zijn andere hiervoor genoemde omstandigheden gering.
7.4.Vanwege de beperkte ernst van de overtreding en de geringe financiële draagkracht van eiser acht de rechtbank het passend en geboden dat de boete wordt gematigd tot € 2.000,-. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1266. Voor verdere matiging van de boete ziet de rechtbank geen aanleiding. Er is ook geen rechtsregel die voor dit soort boetes voorschrijft dat die binnen 24 maanden moet kunnen zijn voldaan. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiser € 25,- per maand aan de boete afbetaalt en daar kan eiser naar het oordeel van de rechtbank ook met zijn financiële draagkracht mee doorgaan totdat hij € 2.000,- heeft afbetaald. Indien hij al méér dan dat bedrag heeft afbetaald, zal verweerder dit uiteraard aan eiser moeten terugbetalen.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2024:13026