Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4696 – Verklaring afgegeven zonder te wijzen op recht op rechtsbijstand. Geen aanleiding om verklaring niet te betrekken.
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak: 18 juli 2025
Datum publicatie: 24 juli 2025
ECLI: ECLI:NL:RBZWB:2025:4696
Fragment:
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de verklaringen die [persoon] in het kader van het onderzoek tegenover de arbeidsinspecteurs heeft afgelegd, niet als bewijs kunnen worden gebruikt omdat hij voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op zijn recht op bijstand door een raadsman. Eiseres heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135.
De Hoge Raad heeft in dat arrest onder 5.2.1 en 5.2.2 overwogen dat degene tegen wie een strafvervolging is ingesteld in de zin van artikel 6 van het EVRM4, op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, het recht heeft om bij zijn verdediging bijstand te hebben van een raadsman. Het recht op bijstand door een raadsman is een van de fundamentele kenmerken van een behoorlijk proces in zaken die een ‘criminal charge’ betreffen. Voor een – tijdelijke – uitzondering op dit recht is alleen plaats indien en zolang er dwingende redenen bestaan om het te beperken. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat er gelet op het fundamentele belang van het recht op bijstand door een raadsman geen aanleiding bestaat dit recht te beperken tot zaken die naar nationaal recht behoren tot het strafrecht. Het recht op bijstand door een raadsman geldt ook met betrekking tot andere sancties die zijn gebaseerd op een ‘criminal charge’. De Hoge Raad heeft daarom overwogen dat het recht op bijstand door een raadsman en het recht om hierover te worden geïnformeerd dus ook van toepassing zijn bij bestuurlijke boetes.
Uit het dossier blijkt dat [persoon] op 9 januari 2023 als overtreder is gehoord. De verklaringen die [persoon] heeft afgelegd zijn op schrift gesteld en door [persoon] ondertekend. Uit dat document blijkt dat [persoon] inderdaad niet is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand, terwijl dat wel had gemoeten. Er is daarmee sprake van een vormverzuim. Daaruit volgt echter niet automatisch dat dan niet van de afgelegde verklaringen mag worden uitgegaan. De rechtbank dient te beoordelen of eiser een behoorlijk proces heeft gekregen zoals voorgeschreven in artikel 6 van het EVRM, en beoordeelt dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel met inachtneming van de omstandigheden van het geval5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de procedure voorafgaand aan het bestreden besluit op zorgvuldige wijze heeft doorlopen. Ook het verhoor op 9 januari 2023 is zorgvuldig geweest. Uit de op schrift gestelde verklaringen blijkt dat de arbeidsinspecteurs zich hebben gelegitimeerd en dat zij [persoon] hebben meegedeeld waarover zij hem wensten te horen. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat [persoon] niet heeft begrepen of kunnen begrijpen wat het doel was van het verhoor. [persoon] is ook gewezen op zijn zwijgrecht. Daarvan heeft hij klaarblijkelijk geen gebruik gemaakt. Uit het document valt niet af te leiden dat de arbeidsinspecteurs tijdens het verhoor ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op [persoon] of dat zij anderszins onzorgvuldig hebben gehandeld. [persoon] heeft het document ondertekend. Naderhand is [persoon] ook niet teruggekomen op zijn verklaringen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de verklaringen, die [persoon] heeft afgelegd, uit te sluiten van het bewijs.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:4696