Rb. Zeeland-West-Brabant 25 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3736 – Omgevingsverordening Zeeland niet handhaafbaar (gedeeltelijk onverbindend) omdat verbod te ruim is geformuleerd.

2.4

De PMV van de provincie Zeeland is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening van de provincie Zeeland. Ten tijde van het primair en bestreden besluit stond in artikel 3.6 van de Omgevingsverordening dat het zonder ontheffing van verweerder verboden is om:

  • -waterplanten en wieren uit te steken, af te snijden of anderszins te verwijderen, voorhanden te hebben of te vervoeren;
  • -waterdieren nodeloos te verontrusten, te vangen, te doden, voorhanden te hebben of te vervoeren;
  • -voorwerpen bij zich te hebben die kennelijk tot doel hebben een dergelijke handeling te verrichten.

[…]

Bepaaldheidsgebod (lex certa beginsel)

3.7

Eiseres heeft verder – kort samengevat – aangevoerd dat artikel 3.6 van de Omgevingsverordening onverbindend is, omdat het verbod onvoldoende concreet of objectief bepaald is.

3.8

De rechtbank acht artikel 3.6 van de Omgevingsverordening onverbindend vanwege strijd met het bepaaldheidsgebod (lex certa beginsel) dat kan worden afgeleid uit artikel 7, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit dit gebod blijkt dat een strafbaar gestelde norm kenbaar moet zijn. Dat betekent dat voldoende concreet en duidelijk moet zijn welke gedragingen verboden zijn en strafbaar zijn gesteld en dat iemand voldoende in staat moet zijn om zijn gedrag daarop af te stemmen.4 Het bestreden besluit ziet niet op het opleggen van een punitieve sanctie aan eiseres vanwege overtreding van artikel 3.6 van de Omgevingsverordening, maar de aanvraag om de ontheffing is mede ingediend omdat overtreding van die norm strafbaar is gesteld in artikel 10.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening.

Het verbod is dermate ruim geformuleerd, dat daaruit niet kan worden afgeleid welke gedragingen concreet verboden en strafbaar zijn gesteld. Het verbod heeft namelijk betrekking op alle mogelijke activiteiten van iedereen die zich in, op of rondom het water bevindt, ter zake van alle soorten waterplanten, wieren en waterdieren. Dat zou betekenen dat kinderen strafbaar zijn wanneer zij met een visnetje garnaaltjes vangen en dat zelfs zwemmers strafbaar zijn wanneer een waterplant aan hun voet blijft hangen of wanneer zij, als ze uit het water komen, onbedoeld en ongemerkt een waterdiertje op hun lichaam uit het water meenemen. Gelet op de in de toelichting gegeven doelstelling van het verbod acht de rechtbank niet aannemelijk dat provinciale staten ook dergelijke activiteiten hebben bedoeld verboden en strafbaar te stellen. Als gevolg van dergelijke en daarmee vergelijkbare activiteiten komt het onderwatermilieu immers niet in gevaar. Naar het oordeel van de rechtbank worden die activiteiten echter niet uitgezonderd van het verbod door de term ‘nodeloos’ die in de bepaling is opgenomen, omdat onduidelijk is of die term alleen op ‘verontrusten’ betrekking heeft en omdat ook de term nodeloos voor meerderlei uitleg vatbaar is. Het verbod is daardoor te onbepaald.

De rechtbank is natuurlijk bekend met de jurisprudentie van de ABRvS5 waarin zij heeft overwogen dat een avv niet onverbindend kan worden geacht vanwege de enkele strijd met een formeel beginsel van behoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank staat die jurisprudentie – gelet op het voorgaande – niet in de weg aan het onverbindend achten van de verbodsbepaling.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:3736