ABRvS 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1549 – geen spoedeisende situatie. Drugsafval in vaten. BO geeft overtreder eerst 3 dagen om het zelf op te lossen, pas daarna spoedeisende bestuursdwang toe.

5.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten om zonder voorafgaande last bestuursdwang toe te passen. [appellant] voert aan dat het college de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb weliswaar heeft gesteld, maar niet heeft gestaafd. Het college heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat een ter zake deskundig persoon heeft vastgesteld dat sprake was van een spoedeisende situatie. Evenmin is gebleken dat de staat van de vaten en de pallets is onderzocht met het oog op het risico van lekkage. In ieder geval is op 7 en 9 november 2018 niet direct actie ondernomen met het oog op dat risico en is hem de gelegenheid gegeven met een door een ingeschakelde afvalverwerker opgesteld plan van aanpak te komen, zij het dat de hem hiervoor gegunde termijn te kort was. Volgens [appellant] ging het om dubbelwandige stalen vaten die met een schroefdop waren afgesloten. De vaten stonden per vier stuks op een pallet en op de meeste pallets waren de vaten verpakt in krimpplastic. Volgens [appellant] zijn de vaten op 15 november 2018 met een vorkheftruck, waarvan de chauffeur geen beschermende kleding droeg, op een plastic zeil op de kuilvoerplaats geplaatst om de inhoud over te pompen in zogenoemde IBC-containers van 1000 liter per stuk. Daarbij zijn de vaten niet bekleed of op andere wijze beschermd. Degene die de pomp bediende had weliswaar een beschermend pak aan, maar hij droeg geen gezichtsbescherming. De lunch die de gemeente ter plekke heeft aangeboden, is door een milieu-inspecteur van de gemeente op de bemonsteringstafel gezet en is daar ook genuttigd. Deze omstandigheden geven er geen blijk van dat de wijze waarop de stoffen in de oplegger waren opgeslagen, een acuut gevaar voor lekkage met zich bracht, aldus [appellant]. Na de afvoer van de stoffen was de houten vloer van de oplegger kurkdroog. Verder wijst [appellant] erop dat IBC-containers in overvloed verkrijgbaar zijn en bovendien niet in rekening zijn gebracht door Dirmar Seon, zodat onduidelijk is waarom, in weerwil van de gestelde spoed, tot 15 november 2018 is gewacht met het overpompen en afvoeren van de stoffen.

5.1.    Artikel 5:24, eerste lid van de Awb luidt: “De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.”

Het tweede lid luidt: “De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.”

Artikel 5:31, eerste lid, van de Awb luidt: “Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.”

5.2.    Het ligt op de weg van het college aannemelijk te maken dat op 13 november 2018 sprake was van een spoedeisende situatie als vereist in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb, omdat het college op die datum het besluit tot toepassing van bestuursdwang zonder voorafgaande last heeft genomen.  Daarover overweegt de Afdeling het volgende.

5.3.    Van de inspectie die op 7 november 2018 op het perceel heeft plaatsgevonden zit geen proces-verbaal van bevindingen in het dossier. Wel staat in een van de politie afkomstig geanonimiseerd e-mailbericht van 13 november 2018 dat de brandweer op 7 november 2018 na onderzoek ter plaatse heeft vastgesteld dat er geen zuur-indicatie is en dat geen direct gevaar voor de omgeving bestaat. Van de inspectie die op 9 november 2018 op het perceel heeft plaatsgevonden zit alleen een door de boa, die daarbij aanwezig is geweest, opgesteld proces-verbaal van bevindingen in het dossier. Daarin staat dat deze boa een medewerker van de LFO heeft horen zeggen dat hij enkele vaten niet durfde te openen gezien de slechte toestand waarin die vaten verkeerden en dat werd geadviseerd de vaten niet te vervoeren of te laten vervoeren, omdat de vaten bij het verrijden van de oplegger tegen elkaar zouden kunnen slaan en daardoor open zouden kunnen knappen. Het college heeft geen rapporten of processen-verbaal van bevindingen overgelegd die door de LFO of door de bij de inspectie betrokken milieu-inspecteur zijn opgesteld. Hoewel het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat een schriftelijk verslag is opgesteld van de werkzaamheden die Dirmar Seon op 15 november 2018 op het perceel heeft verricht, heeft het college dat verslag niet aan het dossier toegevoegd. Wel zitten er foto’s in het dossier die tijdens de uitvoering van die werkzaamheden zijn genomen. De vraag of vaten al lekten wordt in de overige informatie in het dossier niet eenduidig beantwoord. In de besluiten van 13 november 2018 en 21 juni 2019 heeft het college aangenomen dat van lekkages nog geen sprake was. Het besluit van 25 november 2019 is op dat punt niet eenduidig. In het besluit van 13 november 2018 heeft het college erop gewezen dat een deskundige op 9 november 2018 te kennen heeft gegeven dat de vaten binnen één week moesten worden afgevoerd en vernietigd. Daargelaten dat deze verwijzing niet is overgenomen in de besluiten van 21 juni 2019 en 25 november 2019, zit in het dossier geen stuk waaruit blijkt wie deze deskundige is geweest en om welke reden deze deskundige heeft geadviseerd een dergelijke termijn voor afvoer en vernietiging aan te houden. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat [appellant] kort de gelegenheid heeft gekregen zelf met een plan van aanpak te komen, omdat, hoewel de situatie spoedeisend was, geen sprake was van acute spoed. De termijn die [appellant] toen heeft gekregen was volgens het college voldoende.

Naar het oordeel van de Afdeling kan de gelegenheid die [appellant] van 9 november 2018 tot aan het middaguur op 12 november 2018 heeft gekregen om zelf een afvalverwerkingsbedrijf in te schakelen, alleen al hierom niet als een aan [appellant] opgelegde last worden aangemerkt, omdat een daartoe door het college genomen besluit ontbreekt. Vaststaat dat het college de situatie op 9 november 2018 niet als zodanig spoedeisend heeft aangemerkt dat het toen onmiddellijk tot toepassing van bestuursdwang heeft besloten. Zoals het college ook ter zitting te kennen heeft gegeven, was er toen geen acute spoed. Omdat uit het dossier niet blijkt dat de situatie na 9 november 2018 meer spoedeisend is geworden en daaruit evenmin blijkt dat een deskundige om redenen van spoedeisendheid op 9 november 2018 heeft geadviseerd de stoffen binnen één week te laten afvoeren en vernietigen, is de Afdeling van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie op 13 november 2018 zodanig spoedeisend was dat zonder voorafgaande last bestuursdwang kon worden toegepast. De Afdeling neemt hierbij ook in aanmerking dat [appellant] het college op 12 november 2018 heeft laten weten dat hij nog maar een paar dagen nodig had om een door de Afvaldienst Twente opgesteld plan van aanpak over te kunnen leggen en dat tot de in het besluit van 21 juni 2019 opgenomen vereisten, waaraan het plan van aanpak diende te voldoen, niet een termijn behoorde, waarbinnen de betrokken werkzaamheden moesten aanvangen of zijn uitgevoerd. Dat [appellant] in eerste instantie op 9 november 2018 te kennen heeft gegeven niet over financiële middelen te beschikken om de stoffen te laten afvoeren, doet daaraan niet af, alleen al omdat in een dergelijke kennisgeving geen grond is gelegen om spoed aan te nemen.

Het betoog slaagt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@126104/202000280-1-r4/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *