ABRvS 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:574 – handhaving onevenredig: schutting is slechts 4cm hoger dan toegestaan.

Beginselplicht tot handhaving

7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de overtreding niet van zeer geringe aard en omvang is en het college gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. [appellant] voert daartoe aan dat er sprake is van een overtreding tussen de 4% en de 30% van de maximale toegestane bouwhoogte. Verder stelt [appellant] dat hij hinder heeft van het bouwwerk, in de zin van een verlies van uitzicht, doordat hij vanuit het raam van zijn woonkamer tegen het bouwwerk aankijkt. Tot slot stelt [appellant] dat de kosten van het aanpassen van de schutting gering zijn.

7.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7.2.    Het college heeft zich in het besluit van 19 juli 2018 op het standpunt gesteld dat handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig is dat daarvan in dit geval moet worden afgezien. Het college heeft daarbij van belang geacht dat de op het perceel aanwezige schutting voor een belangrijk deel voldoet aan de criteria die gelden voor vergunningsvrij bouwen. Het resterende deel van de schutting dat daar niet aan voldoet, het kleine schuinoplopende gedeelte van de schutting voor de voorgevelrooilijn, levert volgens het college geen of weinig reële hinder op voor omwonenden.

7.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien. Daarbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat als gevolg van de overtreding:

–        over een lengte van ongeveer 4 m schuttingspanelen zijn geplaatst die ongeveer 4 cm hoger zijn dan de 1 m hoogte die maximaal is toegestaan, wat met het blote oog nauwelijks waarneembaar is; en

–        over een lengte van ongeveer 0,55 m schuttingspanelen zijn geplaatst die vanaf 4 cm oplopend tot 30 cm hoger zijn dan de 1 m hoogte die maximaal is toegestaan.

Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de belangen van [appellant] of derden door de aanwezigheid van deze in geringe mate hogere schutting onevenredig worden geschaad. [appellant] stelt door de aanwezigheid van de schutting hinder te ondervinden, bestaande uit verlies aan uitzicht vanuit zijn woning doordat hij vanuit het raam van zijn woonkamer tegen de schutting aankijkt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de afstand van dit raam tot de schutting (van ongeveer 3 m) en de beperkte overschrijding van de toegestane maximale hoogte van 1 m, de eventuele invloed van de overtreding op het uitzicht van [appellant] naar objectieve maatstaven als gering moet worden beoordeeld. Ook veroorzaakt de aanwezige schutting in algemene zin geen overlast en bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat deze in geringe mate hogere schutting een ongewenst precedent zal scheppen. De vraag of de kosten van het aanpassen van de schutting aan de toegestane hoogte gering zijn of niet, geeft in dit geval geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@124725/201909044-1-r3/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *