ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2001 – Afdeling vindt last inbrekerswerktuigen i.t.t. rechtbank voldoende duidelijk. Feit dat wat er onder ‘inbrekerswerktuigen’ wordt verstaan context afhankelijk is, maakt last niet onvoldoende rechtszeker

6.    Uit eerdere uitspraken van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7132, volgt dat een last onder dwangsom voldoende duidelijk moet zijn. Dat houdt in dat uit de last moet kunnen worden afgeleid wat van de geadresseerde wordt verwacht. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 25 september 2019 is het vaststellen van een overtreding als bedoeld in artikel 2:44, eerste lid, van de APV niet arbitrair. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat [wederpartij] de last van 9 februari 2017 heeft overtreden. Uit die last valt duidelijk af te leiden dat [wederpartij] op een openbare plaats geen inbrekerswerktuigen bij zich mag dragen of vervoeren, en dat die last niet beperkt is tot het bij zich dragen van een breekijzer en handschoenen. Wat een inbrekerswerktuig is moet worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval. Gelet op het verleden van [wederpartij] met betrekking tot een eerdere poging tot inbraak, de door een voorbijganger om 04:31 uur gemelde verdachte situatie, het wegrennen van [wederpartij] op het moment dat de politie op de opgegeven plaats kwam en het bij hem aantreffen van de schroevendraaiers en het smeermiddel WD40, heeft het college deze voorwerpen terecht als inbrekerswerktuigen aangemerkt. Het college mocht er daarbij van uitgaan dat van een situatie waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die voorwerpen niet bestemd waren om te dienen als inbrekerswerktuigen hier geen sprake was. Daarmee heeft [wederpartij] de last van 9 februari 2017 overtreden. Dat [wederpartij], naar hij stelt, de voorwerpen bij zich had omdat hij had gesleuteld aan scooters, is, mede gelet op de gedragingen van [wederpartij] op het tijdstip dat de politie op de opgegeven plaats kwam, zoals staat in het proces-verbaal van 24 mei 2018, niet aannemelijk. [wederpartij] heeft die stelling ook niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door te verklaren waar hij de bewuste avond en nacht voordat hij werd aangehouden heeft verbleven. Dat [wederpartij], zoals ter zitting is gesteld, voor het gebeuren op 24 mei 2018 niet strafrechtelijk is veroordeeld, is niet van belang voor de vraag of sprake is van overtreding van artikel 2:44 van de APV. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1066. De rechtbank heeft mitsdien ten onrechte geoordeeld dat het college niet bevoegd was om de dwangsom in te vorderen. Dat [wederpartij] ten tijde van het opleggen van de last van 9 februari 2017 nog minderjarig was, maakt voor de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom niet uit, aangezien in de wet daarover geen bepaling is opgenomen.

Het betoog slaagt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@122191/201907529-1-a3/

Dit vind je misschien ook leuk...