ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1905 – bijzondere omstandigheid bij invordering. Appellant voldoet door fout monteur niet (tijdig) aan de last, corrigeert fout meteen, maar heeft toch dwangsom verbeurd.

6.2.    In beginsel is het enkele feit dat gedeeltelijk aan de last is voldaan onvoldoende voor het oordeel dat het college geheel dan wel gedeeltelijk van invordering af had moeten zien. De Afdeling heeft dit eerder overwogen in de uitspraak van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:802, r.o. 4.2). In dit bijzondere geval ziet de Afdeling echter, anders dan de rechtbank, aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van invordering van de dwangsom had behoren af te zien. De Afdeling neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Het college heeft bij brief van 19 april 2018 aan [appellant A] en [appellant B] meegedeeld dat uit de controle van een toezichthouder van de gemeente en een inspecteur van de brandweer op 12 april 2018 is gebleken dat zij niet tijdig aan de gehele last hebben voldaan. Het college heeft in de brief ook het voornemen geuit om over te gaan tot het invorderen van een dwangsom van € 10.00,00. Uit het dwangsombesluit blijkt dat de last ziet op vier overtredingen van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft niet per overtreding een aparte dwangsom bepaald, maar gekozen voor verbeurte van een bedrag ineens bij het niet voldoen aan één of meer onderdelen van de last. [appellant A] en [appellant B] hebben binnen de begunstigingstermijn een van de vier overtredingen beëindigd door het plaatsen van een draagbaar (gekeurd) blustoestel ter plaatse van de keuken. Aan een tweede onderdeel van de last hebben zij binnen de begunstigingstermijn gedeeltelijk voldaan door het plaatsen van meerdere rookmelders in het pand. Ten aanzien van de overige onderdelen van de last, bestaande uit het indienen van een schriftelijke bevestiging van de keuring van de elektriciteitsvoorziening en het indienen van een melding brandveilig gebruik, is onder de hierna geschetste omstandigheden niet zonder belang dat de schriftelijke bevestiging en de melding wel zijn ingediend, maar kort na afloop van de begunstigingstermijn. Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] in dat verband benadrukt dat het hun intentie was om tijdig en volledig aan de last te voldoen, maar dat de vervangende installateur de werkzaamheden niet deugdelijk bleek te hebben uitgevoerd. [appellant A] en [appellant B] waren hier niet meteen van op de hoogte en verkeerden daarom aanvankelijk in de veronderstelling dat zij aan de last hadden voldaan. Nadat zij ervan op de hoogte raakten dat niet volledig aan de last was voldaan, hebben zij er alsnog voor gezorgd dat de overtredingen zo spoedig mogelijk werden beëindigd. Op 26 april 2018 hebben [appellant A] en [appellant B] een toezichthouder van de gemeente telefonisch laten weten dat de werkzaamheden waren uitgevoerd. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken maakt de Afdeling op dat het college op de hoogte was van de voortdurende inspanningen die [appellant A] en [appellant B] hebben verricht om de woning in overeenstemming te brengen met de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012.

Het college is, nadat het op 18 mei 2018 had geconstateerd dat de overtredingen van het Bouwbesluit 2012 waren beëindigd en dit bij brief van 30 mei 2018 had bevestigd, bij besluit van 16 augustus 2018 overgegaan tot invordering van de gehele dwangsom. Bij het besluit op bezwaar van 25 januari 2019 heeft het college het invorderingsbesluit gehandhaafd op de enkele grond dat het dwangsombesluit onherroepelijk is, zonder in te gaan op de [appellant A] en [appellant B] gestelde feiten en omstandigheden. De Afdeling is van oordeel dat het college deze bijzondere omstandigheden had moeten beoordelen en aan de hand daarvan de vraag had moeten beantwoorden of deze zwaarwegende omstandigheden aanleiding zijn om in het geheel niet over te gaan tot invordering van het bedrag van € 10.000,00, dan wel om slechts een aanzienlijk lager bedrag in te vorderen.

Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding om [appellant A] en [appellant B] tegen te werpen dat zij geen bezwaar hebben aangetekend tegen het dwangsombesluit en de daarin opgenomen begunstigingstermijn. In dit geval hebben [appellant A] en [appellant B] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk de intentie hadden om de door het college geconstateerde overtredingen te beëindigen en om die reden het besluit niet te willen aanvechten. De omstandigheid dat zij mogelijkerwijs eerder aan een installateur opdracht hadden kunnen geven tot het verrichten van de nodige werkzaamheden, maakt de omstandigheden van dit geval niet minder zwaarwegend.

Het betoog slaagt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@126576/202002416-1-r3/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *