ABRvS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1695 – besluitvormingsperikelen: BO doet geen onderzoek nalv handhavingsverzoek (beroep reeds daarom gegrond), neemt vervolgens nieuw besluit nalv Rb uitspraak, maar beslist niet tot daadwerkelijk handhaven (beroep eveneens gegrond).

b.       Woon- en leefklimaat

6.2.2. [appellant A] betoogt verder dat structurele belasting met basgeluiden in hun woningen en tuinen in de namiddag en avonduren zonder onderbreking en tot in de nacht het woon- en leefklimaat nadelig en ontoelaatbaar beïnvloedt. Uit rechtspraak van de Afdeling valt verder af te leiden dat de beoordeling of het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed, een andere is dan de beoordeling of aan bestaande geluidsnormen wordt voldaan. Door de kantine als disco te gebruiken, wordt hun woon- en leefklimaat en daarmee hun gezondheid ontoelaatbaar nadelig beïnvloed. Deze vorm van gebruik en deze geluidsoverlast dient niet meer voor te komen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen oordeel gegeven over het verzoek om handhaving voor zover het gaat over het gebruik van de sportkantine als discoruimte.

6.2.3. Zoals de Afdeling hiervoor al heeft vastgesteld, is het [appellant A] en de andere bewoners te doen om het geluidsniveau en de daarbij behorende geluidsoverlast. Dat volgt uit het handhavingsverzoek van 27 september 2017, ook al heeft [appellant A] de Apv niet specifiek in zijn verzoek genoemd. In de brief van 5 januari 2018, waarmee de burgemeester in gebreke is gesteld, hebben [appellant A] e.a. uiteengezet dat in het eerdere verzoek is gevraagd om toepassing te geven aan de Apv en definitief te borgen dat de korfbalvereniging geen geluidsoverlast met discofestiviteiten meer veroorzaakt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, had de burgemeester het handhavingsverzoek van 27 september 2017 dan ook zo moeten opvatten dat [appellant A] e.a. hebben verzocht om toepassing van artikel 2:28, zesde lid, van de Apv. Daar komt bij dat de burgemeester ter zitting van de Afdeling over deze bepaling heeft toegelicht dat hij bij de beoordeling of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed, gebruik maakt van een in de Horecanota opgenomen handhavingsarrangement. Verder heeft burgmeester in dit verband toegelicht dat voor de beoordeling van de in de Apv neergelegde norm ‘nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat’, het Activiteitenbesluit indirect een rol speelt. Het Activiteitenbesluit wordt, aldus de burgemeester, mede gebruikt voor de invulling van deze Apv-norm. Naar het oordeel van de Afdeling diende de burgemeester, gelet op zijn bevoegdheid op grond van de Apv en gelet op de inhoud van het handhavingsverzoek en de daaropvolgende brief van 5 januari 2018, dan ook te beoordelen of aanleiding bestond om artikel 2:28, zesde lid, van de Apv toe te passen. Het betoog van [appellant A] slaagt in zoverre.

6.2.4. Voor zover [appellant A] betoogt dat de rechtbank het handhavingsverzoek zelf had moeten inwilligen, gaat de Afdeling daar niet in mee. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling overwogen dat het in beginsel aan het bevoegd gezag is, in dit geval de burgemeester, om naar aanleiding van een handhavingsverzoek onderzoek te doen naar de gestelde overtredingen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de burgemeester dit niet heeft gedaan, zodat het besluit op bezwaar van 18 oktober 2018 moet worden vernietigd. Maar dat betekent niet dat de rechtbank het handhavingsverzoek zelf had moeten inwilligen. Daarvoor moet de burgemeester, zoals de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld, eerst nader onderzoek doen.

6.2.5. De conclusie is gelet op overweging 6.2.3 hiervoor dat het hoger beroep van [appellant A] gegrond is.

[…]

6.4.2. Omdat [appellant A] het niet eens is met het standpunt van de burgemeester dat hij, als gevolg van de gegrondverklaring, actief zal onderzoeken of vanuit de kantine geluidsoverlast wordt veroorzaakt, moet de Afdeling de vraag beantwoorden of de burgemeester met de gegrondverklaring van het bezwaar heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 3 april 2020.

6.4.3. De rechtbank heeft de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Met de enkele gegrondverklaring van het bezwaar heeft de burgemeester niet aan die opdracht voldaan. De Afdeling heeft al eerder geoordeeld dat het in strijd is met artikel 7:11 van de Awb om een bezwaar gegrond te verklaren zonder het primaire besluit te herroepen en, indien nodig, duidelijkheid te bieden over het besluit dat voor dit primaire besluit in de plaats komt (zie overweging 4.2 van de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019 ECLI:NL:RVS:2019:2147 en overweging 8.2 van de uitspraak van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1990. Gelet hierop kan de enkele gegrondverklaring van het bezwaar, zonder dat het besluit van 10 april 2018 wordt herroepen of daarvoor een nieuw besluit in de plaats wordt gesteld, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De schriftelijke reactie van [appellant A] op de brief van 11 september 2020 moet dan ook worden aangemerkt als een beroep gericht tegen het uitblijven van een besluit in de zin van artikel 6:2 van de Awb. Omdat de burgemeester nog altijd geen echt besluit heeft genomen, is het beroep tegen het uitblijven van een besluit gegrond.

6.4.4. De burgemeester zal dus een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van [appellant A], maar, gelet op overweging 6.3, ook op het bezwaar van de andere bewoners. Daarbij moet de burgemeester niet alleen actief onderzoek doen, maar ook daadwerkelijk een besluit nemen over de toepassing van artikel 2:28, zesde lid, van de Apv. Bij het nieuwe besluit moet de burgemeester daarnaast alle recente feiten en omstandigheden en eventuele wijzigingen van regelgeving en beleid meenemen.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@126321/202002958-1-a3/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *