ABRvS 29 september 2021 ECLI:NL:RVS:2021:2170 – wanneer is een melding over een misstand een handhavingsverzoek?


24.     [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn beroep niet is gericht tegen het besluit van de IGJ van 16 mei 2019, maar tegen eerdere beslissingen van de IGJ, die voor het eerst in de brief van 16 mei 2019 aan hem kenbaar zijn gemaakt. Uit deze brief blijkt dat het door hem gedane verzoek in de brief van 25 oktober 2017 is afgewezen en is omgezet in een ‘andere’ melding die was gericht tegen hemzelf.

Volgens [appellant] moet zijn verzoek worden aangemerkt als een handhavingsverzoek, onder meer omdat hij uitdrukkelijk heeft verzocht om uitbreiding van het onderzoek dat de IGJ al had ingesteld naar het disfunctioneren van de abortusklinieken. Ook de Klachtadviescommissie heeft het verzoek volgens [appellant] als handhavingsverzoek aangemerkt. Dit blijkt uit haar advies dat door de IGJ in de brief van 16 mei 2019 is overgenomen en daarmee heeft de IGJ erkend dat sprake is van een handhavingsverzoek. In de brief staat: “De inspectie heeft dit verzoek als melding beschouwd en dit niet zorgvuldig genoeg aan u duidelijk gemaakt.” Verder kon zijn melding niet als ‘andere’ melding worden aangemerkt. Uit de toelichting op het Uitvoeringsbesluit Wkkgz volgt dat een ‘andere’ melding bij het Landelijk meldpunt moet worden gedaan, terwijl dat niet geldt voor een handhavingsverzoek. Hij heeft zijn verzoek dan ook niet bij het Landelijk meldpunt, maar bij de IGJ gedaan. Nu sprake is van een handhavingsverzoek, is sprake van een aanvraag als bedoeld in de Awb, aldus [appellant].

[appellant] stelt verder dat de rechtbank heeft miskend dat zijn handhavingsverzoek door de IGJ is omgezet in een melding door de stichting als bedoeld in artikel 11 van de Wkkgz. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat vaststaat dat noch een dossier, noch de toelichting, noch het voorgeschreven formulier door de stichting zijn ingediend. De melding van de stichting kan dan ook geen melding zijn als bedoeld in artikel 11 van de Wkkgz en kan niet zelfstandig bepalend zijn geweest voor het besluit van de IGJ om tot een onderzoek naar zijn functioneren over te gaan. De IGJ heeft onjuist en opzettelijk de datum van de melding van de stichting van 25 oktober 2017 gewijzigd in 23 november 2017 om strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wkkgz te voorkomen. Het optreden van de IGJ is in strijd met artikel 11 van de Wkkgz, gelezen in samenhang met artikel 25, tweede lid, van die wet en artikel 8.4 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz, aldus [appellant].

24.1.  Uit de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Wkkgz volgt dat is onderkend dat naast meldingen ook handhavingsverzoeken kunnen worden gedaan. Indien iemand een (niet verplichte) melding doet, mag er van uit worden gegaan dat dit als een melding is bedoeld en mag deze ook als zodanig behandeld worden, tenzij uit aard en strekking blijkt dat sprake is van een handhavingsverzoek. Indien sprake is van een aanvraag om een handhavingsbesluit als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, dan zal overeenkomstig de daarvoor geldende procedures worden beslist en blijft behandeling volgens de meldingsprocedure achterwege, aldus de Nota van Toelichting (Stb. 2015, 447).

24.2.  In de brief van 18 oktober 2017, die door [appellant] op 25 oktober 2017 is doorgestuurd aan de IGJ, heeft [appellant] vermeld dat sinds de komst van de nieuwe directeur bij de stichting onrust is onder de afdeling anesthesie en dat zorgelijk is dat zij zonder substantieel toezicht van de raad van beheer kan handelen op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Ook heeft [appellant] hierin vermeld dat de samenwerking met hem per 1 november 2017 is opgezegd. [appellant] heeft de IGJ in die brief verzocht ‘wezenlijke aandacht te hebben voor de geschetste onaanvaardbare situatie in het verlengde van uw toch al lopend onderzoek naar het (dis)functioneren van abortusklinieken.’

24.3.  Bij brief van 5 december 2017 heeft de IGJ [appellant] bedankt voor zijn melding en vermeld dat zij deze informatie zal benutten bij haar toezicht. Daarbij heeft de IGJ te kennen gegeven dat [appellant] geen terugkoppeling hierover zal ontvangen en dat de melding hierbij wordt gesloten.

24.4.  Uit de brief van 5 december 2017 volgt dat de IGJ de brief van [appellant] als een melding als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Wkkgz heeft aangemerkt en niet als een verzoek om handhaving. Dit is juist, er bestond voor de IGJ geen aanleiding de brief van [appellant] als een handhavingsverzoek aan te merken. Uit zijn brief blijkt dat [appellant] zijn beklag heeft gedaan over de handelwijze van de nieuwe directeur van de stichting en de omstandigheid dat de raad van beheer onvoldoende toezicht op het handelen van die directeur hield. Dat daarbij volgens [appellant] sprake is van een situatie die in strijd is met regelgeving, blijkt niet. Evenmin wordt uit de brief duidelijk dat [appellant] de IGJ heeft verzocht daartegen op te treden. Het enkel verzoeken om ergens wezenlijke aandacht voor te hebben in een kader van een onderzoek naar, naar ter zitting bij de Afdeling is gebleken, andere abortusklinieken dan de klinieken van de stichting, is onvoldoende om het verzoek als een verzoek om handhaving aan te merken. Nu uit aard noch strekking van de brief van 18 oktober 2017 volgt dat [appellant] heeft beoogd een handhavingsverzoek te doen, heeft de IGJ zijn brief terecht als melding aangemerkt.

Dat, naar [appellant] stelt, de klachtadviescommissie heeft geoordeeld dat zijn brief wel als handhavingsverzoek had moeten worden aangemerkt, berust op een onjuiste lezing van het advies van die commissie. Weliswaar heeft de klachtadviescommissie de IGJ geadviseerd de klacht van [appellant] hierover gegrond te verklaren, maar uit de toelichting daarop volgt dat die gegrondverklaring is ingegeven door het oordeel van de commissie dat de IGJ duidelijker naar [appellant] had moeten communiceren hoe het kon dat, nadat [appellant] een melding doet over de directeur van de stichting, de IGJ aanleiding heeft gezien zijn eigen functioneren te onderzoeken.

24.5.  Evenmin kan het standpunt van [appellant] worden gevolgd dat zijn brief niet als melding kon worden aangemerkt, omdat een dergelijke melding alleen bij het Landelijk meldpunt kan worden gedaan. Uit de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Wkkgz volgt dat andere meldingen dan de meldingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wkkgz, onder andere van zorgaanbieders, fabrikanten en burgers afkomstig kunnen zijn. Andere meldingen van de twee eerstgenoemde worden bij de Inspectie gedaan en voor burgers geldt dat zij zich kunnen wenden tot het Landelijk meldpunt zorg als zij klachten willen melden, zo is in de Nota van Toelichting uiteengezet (Stb. 2015, 447). Niet is uitgesloten dat een melding door een burger bij de IGJ wordt gedaan. Ook hierom hoefde de IGJ de brief van [appellant] dan ook niet als een verzoek om handhaving aan te merken.

24.6.  De stelling van [appellant] dat zijn handhavingsverzoek van 18 oktober 2017 door de IGJ is omgezet in een melding door de stichting als bedoeld in artikel 11 van de Wkkgz, volgt de Afdeling ook niet. Dat de IGJ aanvankelijk aan [appellant] had laten weten dat de melding van de stichting over zijn functioneren op 25 oktober 2017 bij haar was binnengekomen, is onvoldoende om een dergelijke omzetting aan te nemen. De IGJ heeft [appellant] immers bij brief van 19 november 2018 laten weten dat zij de melding, gedateerd op 23 november 2017, eerst op 27 november 2017 heeft ontvangen. In hoger beroep heeft de IGJ bevestigd dat de eerder door haar aan [appellant] gedane mededeling dat de melding op 25 oktober 2017 bij haar was binnengekomen, onjuist was. Ook anderszins zijn er geen aanwijzingen dat de stichting niet daadwerkelijk een melding over het functioneren van [appellant] heeft gedaan.

24.7.  Het betoog slaagt niet.

https://www.raadvanstate.nl/@126983/202001177-1-a2-en-202004299-1-a2/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *