ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2323 – eerste verklaring van derde aan toezichthouders is geloofwaardiger dan latere (gewijzigde) verklaringen in beroep

Uit de verklaring van [appellant] van 14 mei 2018, die als bijlage is gevoegd bij het boeterapport, blijkt dat hij de woning al sinds 2017 aan het renoveren was om deze beter bewoonbaar te maken voor de huurders. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2018, dat door de verbalisanten op ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend, blijkt dat de verbalisanten hebben gezien dat de vreemdeling in de woning puin aan het scheppen was met een hark en dit puin in een kruiwagen deed die voor de woning stond. Tevens zagen de verbalisanten een puincontainer aan de openbare weg staan waar meerdere puinbrokken in aanwezig waren. Ook is vermeld dat de verbalisanten hebben waargenomen dat de vreemdeling volledig onder het stof zat. De vreemdeling verklaarde aan de verbalisanten dat hij aan het helpen was met verbouwen. Het proces-verbaal van bevindingen wordt ondersteund door de daarbij gevoegde foto’s, waarop de vreemdeling te zien is. Hij staat bij de woning met stoffige werkkleding aan en bij een kruiwagen met puin. De vreemdeling heeft ter zitting verklaard dat hij niet aan het verbouwen was, maar dat hij aan het vegen was met een bezem om familie die in de woning woont te helpen. Deze door de vreemdeling ter zitting afgelegde verklaring biedt naar het oordeel van de Afdeling echter geen grond voor zodanige twijfel aan de bevindingen van de verbalisanten dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat voor een grotere betrouwbaarheid van de eerste, ten overstaan van de verbalisanten afgelegde verklaring – in het algemeen – de vooronderstelling pleit dat de gehoorde persoon in dat stadium meer geneigd zal zijn naar waarheid en onbevangen te verklaren en zich minder zal laten leiden door ongewenste consequenties die bepaalde antwoorden voor derden zouden kunnen hebben. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1818). Bovendien strookt de ter zitting afgelegde verklaring niet met de waarnemingen van de verbalisanten en het bij het proces-verbaal gevoegde fotobewijs. Gelet hierop is de staatssecretaris terecht uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@122669/201904859-1-v6/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *