ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2576 – wanneer is er concreet zicht op legalisatie bij omgevingsvergunning voor de activiteit milieu?

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1542, kan van concreet zicht op legalisatie  in het geval van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu alleen sprake zijn als ten tijde van het besluit een ontvankelijke aanvraag ter legalisatie van de illegale activiteit is ingediend. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1123) is voor concreet zicht op legalisatie niet vereist dat reeds volledig inzicht bestaat in de van de aangevraagde inrichting te duchten milieugevolgen en de ter beperking van deze gevolgen aan een eventueel te verlenen vergunning te verbinden voorschriften. Vereist is in de regel dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en dat het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning.

5.2.    In dit geval heeft MAC Lierop haar aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gewijzigd in die zin dat alleen het gebruik dat wordt beschermd door het overgangsrecht onderdeel uitmaakt van de aanvraag. In zoverre is geen omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo meer vereist.

Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201907555/1/R4, ECLI:NL:RVS:2020:2575, heeft overwogen wordt het in deze procedure aangevraagde gebruik dat MAC Lierop maakt van het perceel beschermd door het overgangsrecht. In zoverre bestaat geen reden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

5.3.    De enkele omstandigheid dat het college binnen één dag na de wijziging van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft beoordeeld of deze wijziging van de aanvraag concreet zicht op legalisatie oplevert, maakt niet dat het besluit van 10 december 2019 reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Uit deze termijn alleen blijkt immers niet of het bevoegd gezag voldoende gegevens heeft voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu. Daarnaast zijn de onderzoeken die ten grondslag liggen aan deze wijziging van de aanvraag reeds ruim voor deze datum opgesteld en is het college al geruime tijd aan het onderzoeken of en op welke wijze er medewerking kan worden verleend aan de gevraagde activiteiten. De Afdeling ziet verder in het door [appellant] en

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1542, kan van concreet zicht op legalisatie  in het geval van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu alleen sprake zijn als ten tijde van het besluit een ontvankelijke aanvraag ter legalisatie van de illegale activiteit is ingediend. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1123) is voor concreet zicht op legalisatie niet vereist dat reeds volledig inzicht bestaat in de van de aangevraagde inrichting te duchten milieugevolgen en de ter beperking van deze gevolgen aan een eventueel te verlenen vergunning te verbinden voorschriften. Vereist is in de regel dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en dat het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning.

5.2.    In dit geval heeft MAC Lierop haar aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gewijzigd in die zin dat alleen het gebruik dat wordt beschermd door het overgangsrecht onderdeel uitmaakt van de aanvraag. In zoverre is geen omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo meer vereist.

Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201907555/1/R4, ECLI:NL:RVS:2020:2575, heeft overwogen wordt het in deze procedure aangevraagde gebruik dat MAC Lierop maakt van het perceel beschermd door het overgangsrecht. In zoverre bestaat geen reden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

5.3.    De enkele omstandigheid dat het college binnen één dag na de wijziging van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft beoordeeld of deze wijziging van de aanvraag concreet zicht op legalisatie oplevert, maakt niet dat het besluit van 10 december 2019 reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Uit deze termijn alleen blijkt immers niet of het bevoegd gezag voldoende gegevens heeft voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu. Daarnaast zijn de onderzoeken die ten grondslag liggen aan deze wijziging van de aanvraag reeds ruim voor deze datum opgesteld en is het college al geruime tijd aan het onderzoeken of en op welke wijze er medewerking kan worden verleend aan de gevraagde activiteiten. De Afdeling ziet verder in het door [appellant] en anderen aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat een m.e.r.-beoordeling ontbreekt wijst de Afdeling er op dat een m.e.r.-aanmeldnotitie is overgelegd door MAC Lierop en in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat de aanvraag om milieuvergunning onvoldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de aanvraag.

Het betoog faalt.

anderen aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat een m.e.r.-beoordeling ontbreekt wijst de Afdeling er op dat een m.e.r.-aanmeldnotitie is overgelegd door MAC Lierop en in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat de aanvraag om milieuvergunning onvoldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de aanvraag.

Het betoog faalt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@123107/202000367-1-r4/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *