ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2583 – twee (complementaire) opeenvolgende handhavingsverzoeken die zien op dezelfde casus zijn twee separate procedures, tweede besluit is géén 6:19 Awb besluit.

1.    [appellant] woont aan de [locatie 2] te Haastrecht en exploiteert op deze locatie het [horecabedrijf]. [appellant] heeft ten aanzien van het perceel van zijn buren aan de [locatie 1] te Haastrecht (hierna: het perceel) verschillende handhavingsverzoeken ingediend, omdat zijn buren volgens hem activiteiten verrichten die in strijd zijn met het bestemmingsplan “Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)” (hierna: het bestemmingsplan).

Zo heeft [appellant] in 2016 verzocht handhavend op te treden, onder meer wat betreft het aantal bedrijven dat op het perceel van zijn buren is gevestigd. Naar aanleiding van dit handhavingsverzoek heeft het college een waarschuwingsbrief naar de eigenaren van het perceel gestuurd, omdat uit controle door een toezichthouder is gebleken dat twee bedrijven op het perceel zijn gevestigd, namelijk het [bedrijf A] en [bedrijf B], terwijl op grond van het bestemmingsplan ter plaatse slechts één bedrijf is toegestaan. Daarbij heeft het college opgemerkt dat het mogelijk is het bestemmingsplan te wijzigen en dat het bereid is medewerking te verlenen aan deze wijziging. Het college heeft de eigenaren van het perceel in de gelegenheid gesteld de overtreding van het bestemmingsplan te beëindigen door een aanvraag om wijziging van het bestemmingsplan in te dienen dan wel één van de bedrijven elders te vestigen.

2.    Op 30 mei 2017 heeft [appellant] opnieuw een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij onder meer heeft gesteld dat zowel de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A] als het ter plaatse gevestigde bedrijf [bedrijf B] in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Bij besluit van 10 juli 2017 heeft het college het verzoek toegewezen voor zover dit ziet op de vestiging van [bedrijf B] op het perceel, aangezien het college de vestiging van dit tweede bedrijf in strijd acht met het bestemmingsplan. Het college heeft aan deze toewijzing echter geen gevolg gegeven, omdat het naar aanleiding van het eerdere handhavingsverzoek van [appellant] uit 2016 al een handhavingsprocedure is gestart, waarbij al een waarschuwingsbrief is verzonden aan de eigenaren van het perceel. Verder acht het college de vestiging van [bedrijf A] op het perceel niet in strijd met het bestemmingsplan, waardoor volgens het college in zoverre geen sprake is van een overtreding.

[appellant] heeft tegen het besluit van 10 juli 2017 bezwaar gemaakt, zowel wat betreft de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A] als de vestiging van [bedrijf B]. Daarbij heeft [appellant] wat betreft de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A] onder meer ook gesteld dat sprake is van veel buitenopslag, van illegale bouwwerken en containers en dat ook op deze punten handhavend moet worden opgetreden.

In het besluit op bezwaar van 13 februari 2018 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de op het perceel aanwezige buitenopslag, bouwwerken en containers, omdat dit moet worden begrepen als een nieuw verzoek om handhaving en het college hier nog geen primair besluit over had genomen. Verder heeft het college het bezwaarschrift ongegrond verklaard voor zover het zich onder meer richt tegen het niet handhavend optreden tegen [bedrijf B]. Tot slot heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op [bedrijf A] Daarbij heeft het college de conclusie dat op dit punt geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan en daarom wordt geweigerd om handhavend op te treden, aanvullend gemotiveerd.

3.    Op 7 maart 2018 heeft het college alsnog een primair besluit genomen ten aanzien van de buitenopslag, bouwwerken en containers van [bedrijf A] en het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college in zoverre geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan.

4.    In het beroep dat [appellant] bij de rechtbank heeft ingediend, heeft hij zich zowel gericht tegen het besluit op bezwaar van 13 februari 2018 als het besluit van het college van 7 maart 2018. Uit de dossierstukken van de rechtbank blijkt dat de rechtbank het beroepschrift voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 7 maart 2018 ter behandeling als bezwaarschrift heeft doorgezonden naar het college, omdat het besluit van 7 maart 2018 een primair besluit is waartegen eerst bezwaar diende te worden gemaakt. Op 13 november 2018 heeft het college het tegen het besluit van 7 maart 2018 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Uit de dossierstukken blijkt dat de rechtbank [appellant] heeft verzocht schriftelijk mede te delen of hij ook beroep instelt tegen het besluit op bezwaar van 13 november 2018. Indien dat het geval is, zal dit nieuw in te stellen beroep gelijktijdig met het beroep dat is gericht tegen het besluit op bezwaar van 13 februari 2018 op zitting worden behandeld, zo heeft de rechtbank aan [appellant] medegedeeld. In de uitspraak van de rechtbank is vermeld dat [appellant] hierop niet heeft gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat omdat het in zoverre gaat om een afzonderlijke handhavingsprocedure geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), en dat het beroep van [appellant] daarom niet mede betrekking heeft op het besluit op bezwaar van 13 november 2018.

5.    In de uitspraak van de rechtbank is vervolgens uitsluitend het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 13 februari 2018 beoordeeld. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 13 februari 2018 daarom ongegrond verklaard. [appellant] kan zich hier niet mee verenigen en heeft hoger beroep ingediend.

6.    Voorafgaand aan de bespreking van de hoger beroepsgronden merkt de Afdeling op dat de handhavingsverzoeken van [appellant] uit 2016 en 2017 ook betrekking hebben op andere activiteiten die volgens [appellant] niet legaal door zijn buren worden verricht, zoals de huisvestiging van werknemers op het perceel, bouwhoutverbrandingen op dit perceel en zwaar vrachtverkeer op de Steinsedijk. Deze punten komen in deze uitspraak niet aan de orde, omdat bij de behandeling van het hoger beroep ter zitting is vastgesteld dat het hoger beroep is beperkt tot de kwestie over de buitenopslag, illegale bouwwerken en containers van [bedrijf A] alsmede de vraag of de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A] en [bedrijf B] in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Buitenopslag, illegale bouwwerken en containers

7.    [appellant] gaat in zijn nadere stuk dat hij bij de Afdeling heeft ingediend opnieuw in op de buitenopslag, bouwwerken en containers van [bedrijf A], waarvoor volgens hem niet de vereiste vergunningen zijn verleend. Volgens [appellant] wordt ten onrechte tot de conclusie gekomen dat in zoverre kan worden afgezien van handhavend optreden.

7.1.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, luidt:

“Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.”

7.2.    Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, heeft het college op 7 maart 2018 alsnog een primair besluit genomen ten aanzien van de buitenopslag, bouwwerken en containers van [bedrijf A] en het handhavingsverzoek afgewezen. In het besluit op bezwaar van 13 november 2018 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

7.3.    Zoals hiervoor onder 4 is overwogen, heeft de rechtbank in haar uitspraak geoordeeld dat het besluit van 13 november 2018 geen besluit is in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank terecht tot deze conclusie gekomen. Het besluit op bezwaar van 13 november 2018 kan namelijk niet worden aangemerkt als een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het besluit op bezwaar van 13 februari 2018, en is door de rechtbank dan ook terecht aangemerkt als een besluit in het kader van een afzonderlijke handhavingsprocedure. Nu het beroep dat [appellant] niet van rechtswege mede betrekking had op het besluit van 13 november 2018 en [appellant] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 13 november 2018, kan dit besluit ook niet ter beoordeling worden voorgelegd in hoger beroep. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke bespreking van deze hogerberoepsgrond.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@123109/201905585-1-r3/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *