ABRvS 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1185 – beroep op vertrouwensbeginsel – toezegging gedaan, gerechtvaardigde verwachtingen gewekt dat er niet wordt gehandhaafd, maar college moet toch handhaven vanwege belangen buurman.

Vertrouwensbeginsel

3.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij [appellant sub 1] de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de garage zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Hij voert aan dat de informatie die [appellant sub 1] destijds aan de ambtenaar heeft verstrekt over het gebouw dat hij voornemens was te bouwen, onvoldoende concreet is. De verstrekte tekening betreft slechts een kadastertekening en niet een bouwtekening. Over de nokhoogte van het te bouwen gebouw is geen informatie verstrekt, terwijl die wel nodig is om te kunnen bepalen of het gebouw omgevingsvergunningsvrij kan worden gerealiseerd, aldus [appellant sub 2]. [appellant sub 1] kon er daarom volgens hem niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de garage voldeed aan de vereisten van artikel 2, derde lid, onder b, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en een omgevingsvergunning daarom niet was vereist.

3.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

[appellant sub 1] heeft voorafgaand aan het bouwen van de garage contact opgenomen met een medewerker van de gemeente Alphen-Chaam met de vraag of een omgevingsvergunning nodig is. In een e-mailbericht van 16 april 2015 heeft M. Hoekstra, werkzaam bij de Cluster Vergunningverlening van de gemeente, [appellant sub 1] het volgende medegedeeld: “M.i. kun je het nieuwe bijgebouw zonder vergunning oprichten. Ik heb de tekeningen aan de landelijke wetgeving voor vergunningvrij bouwen getoetst. Het bijgebouw voldoet aan artikel 2 lid 3 onder b van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.”

Vast staat dat Hoekstra beschikte over twee door [appellant sub 1] verstrekte kadastrale kaarten: één met daarop weergegeven de bestaande bebouwing op het perceel en de omgeving daarvan en één met daarop weergegeven het perceel en omliggende percelen en waarop handmatig een gebouw is ingetekend. [appellant sub 1] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij telefonisch aan Hoekstra informatie over de afmetingen van garage heeft doorgegeven. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [appellant sub 1] de relevante feiten en omstandigheden destijds onjuist of onvolledig heeft weergegeven. Anders dan waarvan [appellant sub 2] uitgaat, is het niet vereist dat een bouwtekening is verstrekt.

Gelet op de inhoud van het e-mailbericht zijn uitlatingen gedaan waaruit [appellant sub 1] redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwen van de garage.

Niet in geschil is dat [appellant sub 1] kon en mocht veronderstellen dat Hoekstra de opvatting van het college vertolkte.

Gelet op wat hiervoor staat, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant sub 1] de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwen van de garage. Gelet daarop mocht hij ervan uitgaan dat het college niet handhavend zou optreden.

Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

3.2.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat afzien van handhavend optreden in dit geval kan leiden tot precedentwerking. Verder betwist [appellant sub 1] dat bij [appellant sub 2] de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat zal worden gehandhaafd. Ook acht hij het onjuist dat de rechtbank van betekenis heeft geacht dat [appellant sub 2] ingeval van waardevermindering van zijn perceel of woning geen aanspraak zal kunnen maken op nadeelcompensatie. Hij stelt dat ook als omgevingsvergunning zou zijn verleend voor de garage, het door [appellant sub 2] geleden nadeel te gering zou zijn voor compensatie. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet bij zijn oordeel betrokken dat het zicht van [appellant sub 2] op de garage is ontstaan doordat [appellant sub 2] bomen heeft gekapt en een haag van 6 meter die het zicht van [appellant sub 2] op de garage belemmerde, heeft teruggebracht tot een hoogte van 1,5 meter. De rechtbank heeft ten onrechte niet bij de beoordeling van het besluit op bezwaar betrokken dat de bouwkosten van de garage ongeveer € 86.000,00 bedragen en hij schade zal lijden, indien zijn gerechtvaardigde verwachtingen niet worden gehonoreerd, aldus [appellant sub 1]. De rechtbank heeft naar zijn opvatting daarom ten onrechte overwogen dat het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven.

3.3.    Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.

3.4.    Niet in geschil is dat tegenover het belang van [appellant sub 1] bij behoud van de garage het algemeen belang staat dat bij handhaving van de geldende regels. Wettelijke regels over omgevingsvergunningplicht en het bestemmingsplan dienen te worden nageleefd. Daarmee is een goede ruimtelijke ordening gediend.

Aan het belang van het voorkomen van precedentwerking komt minder betekenis toe dan de rechtbank daaraan heeft toegekend. Er zal zich immers niet snel een situatie voordoen die in relevant opzicht gelijk is aan de situatie van [appellant sub 1].

De Afdeling overweegt dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, tegenover [appellant sub 2] geen toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan, waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college handhavend zou optreden tegen de garage. In het door de rechtbank van belang geachte e-mailbericht van 27 maart 2017 informeert een ambtenaar van de afdeling Beleidsontwikkeling RO [appellant sub 2] over de stand van zaken met betrekking tot de garage. In het e-mailbericht staat dat is geadviseerd om de garage niet te legaliseren en dat het dossier is overgedragen aan het Cluster Handhaving. De medewerker geeft te kennen dat hij niet weet wat de planning is en welke prioriteit de zaak heeft. Het e-mailbericht wordt afgesloten met de mededeling dat, indien [appellant sub 2] meer informatie wil, hij contact op kan nemen met een medewerker van het Cluster Handhaving. Het e-mailbericht van 27 maart 2017 bevat hiermee geen toezegging of andere uitlating over de toepassing van de bevoegdheid tot handhaving.

Het vorenstaande laat echter onverlet dat de rechtbank terecht ervan is uitgegaan dat [appellant sub 2] belang heeft bij handhaving en dat zijn belang door het college had moeten worden betrokken bij de belangenafweging. [appellant sub 1] heeft niet betwist dat er vanuit de woning van [appellant sub 2] en diens perceel zicht bestaat op de garage. Dat [appellant sub 2] bomen zou hebben gekapt en een haag in hoogte zou hebben teruggebracht, leidt er niet toe dat de rechtbank aan het belang van [appellant sub 2] geen of minder gewicht had moeten toekennen. Dit maakt immers niet dat [appellant sub 2] geen zicht heeft op de garage. Verder heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het perceel en de woning van [appellant sub 2] in waarde kunnen verminderen door de aanwezigheid van de garage. De garage staat in het zicht op korte afstand van het perceel van [appellant sub 2]. Of [appellant sub 2] al dan niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie doet er niet aan af dat de woning en het perceel van [appellant sub 2] in waarde kunnen verminderen.

Gelet op het algemeen belang en het belang van [appellant sub 2] heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze belangen zwaarder wegen dan het belang van [appellant sub 1] bij behoud van de garage. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat het college niet in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien.

Een te nemen handhavingsbesluit heeft tot doel de overtreding ongedaan te maken en zal in dit geval kunnen strekken tot verwijdering van de garage. Daardoor zal [appellant sub 1], die de garage heeft gebouwd op basis van de door het college gewekte gerechtvaardigde verwachting dat daarvoor geen omgevingsvergunning was vereist, schade lijden. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbijgegaan dat voor het college bij handhaving de verplichting kan ontstaan om de door [appellant sub 1] te lijden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming. Omdat het college geen aanleiding meer zag tot handhaving over te gaan, is het bij het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar niet toegekomen aan het innemen van een standpunt over vergoeding van schade die [appellant sub 1] zou lijden bij handhavend optreden. Het college zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar daarover alsnog moeten beslissen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog van [appellant sub 1] slaagt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@121004/201903662-1-a1/

Dit vind je misschien ook leuk...