ABRvS 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2908 – opdracht Rb. om handhavend op te treden in strijd met 7:11 Awb omdat het geen ruimte laat aan BO om nieuwe feiten te betrekken. Afwijking dwangsomhoogte Leidraad onvoldoende gemotiveerd.

4.    Het college betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte heeft opgedragen om handhavend op te treden tegen de gasleiding. Hierdoor kan het college geen rekening houden met de feiten en omstandigheden ten tijde van het nieuwe besluit op bezwaar, zoals het ontwerpbesluit van 31 oktober 2019 waarmee het gasstation en de gasleiding worden gelegaliseerd. Het college stelt dat de rechtbank met de gegeven opdracht de beoordelingsruimte van het college heeft weggenomen. Verder stelt het college dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er concreet zicht op legalisatie bestond. Volgens het college had de rechtbank daarom zelf in de zaak moeten voorzien.

4.1.    De rechtbank heeft het college in het dictum van de aangevallen uitspraak opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak staat dat het college een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen waarbij het onder meer de last onder dwangsom moet uitbreiden met het verwijderen van de gasleiding.

4.2.    Het betoog slaagt. Zoals onder 1 is overwogen, is niet in geschil dat de realisering van de gasleiding en het gasstation in strijd was met het bestemmingsplan en dat daarvoor een omgevingsvergunning was vereist. Het college was dan ook bevoegd om handhavend op te treden tegen zowel de gasleiding als het gasstation. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar in zoverre terecht vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Echter, door te overwegen dat het college de last moet uitbreiden met de verwijdering van de gasleiding heeft het college geen ruimte om een heroverweging te maken als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, waarbij het rekening houdt met de feiten en omstandigheden van dat moment. De gronden waarop de aangevallen uitspraak rust, moeten in zoverre worden verbeterd.

Voor zover het college betoogt dat de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien vanwege het bestaan van concreet zicht op legalisatie, overweegt de Afdeling dat het college handhavend optreden achterwege kan laten in het geval er concreet zicht op legalisatie bestaat. Bij besluit van 5 november 2019 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd vanwege concreet zicht op legalisatie. Het college heeft de last onder dwangsom niet ingetrokken. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college desgevraagd gesteld dat het de last onder dwangsom zal intrekken zodra het definitieve besluit is genomen en het gasstation en de gasleiding zijn gelegaliseerd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien.

5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de dwangsom ten onrechte geen marginale toets heeft toegepast. Het college heeft de “Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen” van Infomil als uitgangspunt genomen en acht een dwangsom van € 1.500,- per week met een maximum van € 9.000,- in redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden norm. Volgens het college heeft de rechtbank de hoogte van de dwangsom ten onrechte niet passend geacht.

5.1.    Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb luidt: “De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.”

5.2.    De rechtbank heeft overwogen dat het college er in het besluit slechts van uitgaat dat er een voldoende prikkel uitgaat van de dwangsom zonder dit uit te leggen. Ook in de enkele verwijzing naar de gehanteerde leidraad ziet de rechtbank geen motivering van de hoogte, omdat de onderbouwing hiermee onvoldoende op het individuele geval is toegespitst.

5.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:86) heeft het opleggen van een dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Het college stelt terecht dat het aan het bestuursorgaan is om een afweging van de belangen te maken en de hoogte van de dwangsom te bepalen. Het college heeft daarbij in redelijkheid de leidraad tot uitgangspunt kunnen nemen. Voor illegale bebouwing maakt de leidraad onderscheid tussen overtredingen met de kwalificatie licht, matig en ernstig. Het college heeft voor de dwangsom aangesloten bij een overtreding met de kwalificatie matig. In de leidraad wordt daarvoor een dwangsom van € 1.500,00 per week met een maximum van 10 keer vermeld. Het college heeft in afwijking daarvan aan de last een dwangsom van € 1.500,- per week met een maximum van € 9.000,- (6 keer) verbonden. Het college heeft de kwalificatie van de overtreding en de afwijking van het in de leidraad aangehouden maximum aantal niet gemotiveerd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de hoogte van de dwangsom onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het betoog faalt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@123477/202000658-1-r4/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *