ABRvS 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2912 – licht bevel ex art. 172, lid 3, Gemeentewet kan huisrecht niet inperken

Beoordeling door de Afdeling

Het eerste gebiedsverbod

3.3.    Met het eerste gebiedsverbod, dat ook betrekking heeft op de woning van [wederpartij], wordt het in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt. Artikel 10 van de Grondwet schrijft voor dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer alleen mag worden beperkt als die beperking bij of krachtens de wet is toegestaan. ‘Bij of krachtens de wet’ wil zeggen dat er een (formeel)rechtelijke grondslag moet zijn voor deze beperking. Die (formeel)rechtelijke grondslag dient bovendien voldoende specifiek te zijn. Artikel 172, derde lid, Gemeentewet biedt die grondslag niet omdat het daarvoor te ruim is geformuleerd. Deze bevoegdheid is niet specifiek in het leven geroepen om het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het huisrecht te beperken in gevallen als hier aan de orde. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet blijkt bovendien uitdrukkelijk dat deze bevoegdheid is bedoeld als een ‘lichte’ bevelsbevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet de burgemeester binnen het kader van de overigens geldende wetgeving blijven. Dat betekent dat hij geen grondwettelijke grondrechten mag beperken en evenmin mag afwijken van wetten in formele zin. Deze bevelsbevoegdheid is met name bedoeld voor het handhaven van orde en rust in geval van samenscholingen, oploopjes of acties op openbare plaatsen (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, 64b, p. 16-17). Als voorbeeld wordt genoemd het optreden tegen rumoerige jeugd op straat in de nachtelijke uren.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, gelet op het grondwettelijk gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het huisrecht, geen grondslag biedt voor het eerste gebiedsverbod dat ook betrekking heeft op de woning van [wederpartij]. Gelet op de aard van de lichte bevelsbevoegdheid leidt het gegeven dat mogelijk sprake is van conflicterende grondrechten vanwege de uit artikel 2, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende positieve verplichting om, bijvoorbeeld ter bescherming van de bewoners in het gebied, in concrete en levensbedreigende situaties preventief op te treden, niet tot een andere uitkomst. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester na de tweede schietpartij bevoegd was het eerste gebiedsverbod op te leggen voor in beginsel de duur van drie maanden en heeft het besluit op bezwaar van 12 april 2018 ten onrechte slechts vernietigd voor zover de einddatum is bepaald op 27 april 2018. De uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking en het hoger beroep van de burgemeester is daarom gegrond.

De Afdeling overweegt dat het onder bijzondere omstandigheden wel aanvaardbaar is dat de burgemeester het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt op grond van de noodbevelsbevoegdheid van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet, om daarmee gevolg te kunnen geven aan de positieve verplichting om in concrete en levensbedreigende situaties preventief op te treden. Daarbij geldt als voorwaarde dat het noodbevel aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet. De Afdeling verwijst daartoe naar de uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2020:2839.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@123485/201905118-1-a3

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *