ABRvS 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1223 – beroep op vertrouwensbeginsel bij invordering dwangsom slaagt. Toezegging gedaan. BO kan niet bewijzen dat toezegging is ingetrokken.

– Bijzondere omstandigheden

11.     De maatschap betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Met de behandelend ambtenaar is op 6 augustus 2018 mondeling overeengekomen dat de baggerwerkzaamheden uitsluitend met een baggerspuit zouden worden uitgevoerd, deze afspraak is met een handdruk bekrachtigd en aan deze afspraak is ook feitelijk uitvoering gegeven op 6 en 7 augustus 2018. Volgens de maatschap heeft het college zich daarna ten onrechte, in strijd met het opgewekte vertrouwen, niet gehouden aan deze afspraak. In ieder geval is de invordering van de dwangsommen, inclusief buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente, in het licht van het gerechtvaardigd opgewekte vertrouwen onterecht geweest.

11.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1968, moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

11.2.  In haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, heeft de Afdeling een stappenplan uiteengezet dat wordt gehanteerd bij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.

11.3.  De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het beroep van de maatschap op het vertrouwensbeginsel ter zake van het invorderingsbesluit niet slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat op 6 augustus 2018 door de behandelend ambtenaar is toegezegd dat de baggerwerkzaamheden op het perceel uitsluitend met een baggerspuit zullen worden uitgevoerd, dat hierna de aannemer gedurende twee dagen het werk ook daadwerkelijk met een baggerspuit heeft uitgevoerd en dat deze toezegging aan het college kan worden toegerekend. Daarmee is aan de eerste twee onderscheiden stappen bij een beroep op het vertrouwensbeginsel voldaan. Ter beoordeling ligt daarmee voor of, bij de derde stap, het college gehouden is bij het invorderingsbesluit te voldoen aan de gerechtvaardigde verwachtingen aan de kant van de maatschap. Het college stelt dat de aanvankelijke toezegging niet behoeft te worden nagekomen, omdat het op de gedane toezegging is teruggekomen. Daartoe heeft het college toegelicht dat twee behandelend ambtenaren zich op 8 augustus 2018 op het adres van de maatschap hebben gemeld om toe te lichten dat de toezegging op een misverstand berustte en onjuist was. Daarbij is medegedeeld dat de aannemer vanaf 9 augustus 2018 overgaat op de klassieke baggermethode. De maatschap heeft ontkend dat een gesprek hierover heeft plaatsgevonden.

Ter zitting bij de Afdeling heeft het college desgevraagd bevestigd dat van dit bezoek op 8 augustus 2018 geen gespreksverslag is opgesteld. Gezien de door het college overgelegde GPS-gegevens is aannemelijk dat de behandelend ambtenaren op 8 augustus 2018 ter plaatse zijn geweest. Het is ook aannemelijk dat zij met de maatschap hebben gesproken of in elk geval hebben gepoogd het gesprek aan te gaan. Nu er geen gespreksverslag is, is er naar het oordeel van de Afdeling echter onvoldoende aanleiding om ervan uit te gaan, dat het college zodanige mededelingen heeft gedaan dat het voor de maatschap duidelijk was dat op de toezegging om de baggerspuitmethode te gebruiken is teruggekomen. Dit geldt te meer nu onder meer uit de schriftelijke uiteenzetting en het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de communicatie tussen het college en de maatschap stroef is verlopen en dat er ook een gespannen verhouding is. Het vorenstaande betekent dat het er voor moet worden gehouden dat de maatschap er gerechtvaardigd op mocht blijven vertrouwen dat de baggerwerkzaamheden ter plaatse uitsluitend met een baggerspuit zouden worden uitgevoerd.

In het kader van de derde stap heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 mei 2019 overwogen dat het vertrouwensbeginsel niet met zich brengt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Voor de maatschap is van groot belang dat de baggerspuitmethode wordt toegepast, omdat bij deze baggermethode geen zware kranen worden gebruikt, geen onwerkbare baggerlagen op het perceel worden achtergelaten en minder substantiële schade toegebracht wordt aan het perceel. Het college heeft in dat verband toegelicht dat de baggeropgave per jaar ongeveer honderden kilometers is, slechts een beperkte tijd van het jaar kan worden gebaggerd, het noodzakelijk is om tijdig en efficiënt te baggeren, de baggerspuitmethode arbeidsintensief en tijdrovend is en daarom de klassieke methode wordt toegepast. Naar aanleiding van de gevoerde gesprekken over de te gebruiken baggermethode is dit volgens het college ook bekend bij de maatschap. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het algemeen belang om zoveel mogelijk de klassieke methode te gebruiken weliswaar zwaar, maar is dat belang in dit geval niet doorslaggevend. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in de last geen specifieke baggermethode is vermeld, terwijl het college daarin had kunnen  opnemen dat alleen de klassieke methode zal worden toegepast. Onder deze omstandigheden weegt het algemeen belang niet zwaarder dan het belang van de maatschap bij het honoreren van het bij haar gewekte vertrouwen.

11.4.  Gelet op het voorgaande kan de maatschap een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. In dit licht is de Afdeling van oordeel dat het college tot de conclusie had moeten komen dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden, waarin het college aanleiding had moeten zien om van invordering af te zien. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@125655/202004462-1-r1/

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *