CBb 23 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1013 – waarschuwing niet appellabel. Appellant wordt niet “in een onmogelijke positie” gebracht door de negatieve gevolgen van de waarschuwing.

6. Het betoog van appellant dat de waarschuwing een besluit is waartegen bezwaar open had moeten staan, slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat een waarschuwing in beginsel geen besluit is. Dit kan anders zijn als het gaat om een op een wettelijk voorschrift gebaseerde waarschuwing die een voorwaarde is voor het toepassen van een sanctiebevoegdheid. Deze situatie doet zich hier niet voor. De waarschuwing heeft immers geen wettelijke basis nu deze slechts is gebaseerd op het stappenplan uit de ontheffing. Naar het oordeel van het College dient de waarschuwing in dit geval (ook) niet gelijk te worden gesteld met een besluit, omdat de mogelijkheid om een rechterlijk oordeel over die waarschuwing te krijgen niet onevenredig bezwarend of afwezig is (zie onder meer de uitspraak van het College van 4 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:69). Appellant kan bij een op de waarschuwing volgende stap (stap 1) rechtsmiddelen aanwenden en daarbij eveneens de rechtmatigheid van de waarschuwing aan de orde stellen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 10 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:814, of de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:187). Niet gesteld of gebleken is dat appellant in een onmogelijke positie wordt gebracht door de negatieve gevolgen die een op de waarschuwing volgend sanctiebesluit met zich zal brengen (vergelijk de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:249).

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2021:1013

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *