CBb 23 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1016 – overtreding niet bewezen, BO wijst in hoger beroep andere boetegrondslag aan voor dezelfde feiten. Andere grondslag houdt “een wezenlijk ander feitelijk verwijt in, dat niet eerder aan de boete ten grondslag is gelegd”

5.12. Het College oordeelt dat uit de gegevens die de minister aan de boete ten grondslag heeft gelegd niet blijkt dat de container op 14 april 2017 is afgevoerd van het terrein van [naam 4] . Op de minister rust de bewijslast van de overtredingen. De minister stelt hierover in het algemeen dat de productielijn van [naam 4] zo werkt dat containers worden afgevoerd als ze zijn gewogen en hij leidt hieruit af dat de container het terrein op 14 april 2017 heeft verlaten. De minister vindt het verder onwaarschijnlijk dat de container na het wegen enkele dagen op het terrein heeft gestaan. Hiermee heeft de minister niet aan zijn bewijslast van de overtredingen voldaan. Bovendien heeft appellante de stellingen van de minister ook voldoende gemotiveerd weersproken, onder andere door te wijzen op het kruis dat door het VDM is gezet dat zich in haar administratie bevindt. De gegevens van de vracht van 20 april 2017 zouden kunnen stroken met haar stelling dat de container uiteindelijk op die datum is afgevoerd. De minister heeft hier niets tegenover gesteld. Ter zitting in hoger beroep heeft de minister toegelicht dat hij niet heeft nagevraagd bij [naam 4] of vanaf 14 april 2017 enige dagen een container op haar terrein is blijven staan. Het ligt op de weg van de minister om aan te tonen dat appellante de gestelde overtredingen heeft begaan. Wat de minister hiervoor aandraagt, is onvoldoende.

5.13. In hoger beroep stelt de minister zich op het standpunt dat, ook als de container alleen op het terrein van [naam 4] is verplaatst, sprake zou zijn van vervoer waarbij aan de eisen daarvoor voldaan moet zijn. Dat zou volgens de minister dus ook een overtreding opleveren. Het College overweegt naar aanleiding van dit betoog dat de minister tot en met de beslissing op het bezwaar de stelling heeft betrokken dat de container op 14 april 2017 het terrein heeft verlaten. Vervoer op het terrein van [naam 4] houdt een wezenlijk ander feitelijk verwijt in, dat niet eerder aan de boete ten grondslag is gelegd en bovendien niet onderbouwd is. Het betoog van de minister slaagt dan ook niet.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2021:1016

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *