CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1044 – ‘volstrekt’ onvoldoende onderzoek nalv handhavingsverzoek – derde levert beeldmateriaal, besluit wordt afgewezen met de constatering dat het beeldmateriaal is beoordeeld, zonder enige specificatie.

Feiten en kwalificatie van de overtredingen

5.6. Het College constateert dat verweerder bij de beoordeling van het handhavingsverzoek in het primaire besluit voorop heeft gesteld dat inspecteurs en een dierenarts van de NVWA de door appellante overgelegde beelden hebben beoordeeld en daarbij de constateringen hebben gedaan, die in dit besluit zijn weergegeven. Naast de vaststelling dat ten aanzien van [naam 2] , [naam 8] , en [naam 3] geen overtredingen zijn geconstateerd, houdt deze weergave een uiteenzetting in van de door verweerder ten aanzien van de overige bedrijven wel vastgestelde overtredingen van de daarbij genoemde wettelijke voorschriften op de drie locaties waar de beelden zijn gemaakt. In dit besluit ontbreekt echter een deugdelijke en controleerbare vaststelling door verweerder van de relevante feiten en omstandigheden, die hij ten grondslag heeft gelegd aan de conclusie dat [naam 2] , [naam 8] , en [naam 3] geen overtredingen hebben begaan en de andere bedrijven de genoemde wettelijke voorschriften hebben overtreden. Onduidelijk is op grond van welke, aan het beeldmateriaal ontleende, waarnemingen of vastgestelde feiten en omstandigheden verweerder ten aanzien van elk van de betrokken bedrijven per locatie heeft vastgesteld dat bedoelde overtredingen al dan niet zijn begaan. De enkele verwijzing in het primaire besluit naar de beoordeling van de beelden door inspecteurs en een dierenarts is volstrekt onvoldoende, zeker in het licht van de hiervoor in 1.2 tot en met 1.5 genoemde maar door verweerder niet (nader) besproken gegevens. Evenmin is duidelijk waarom verweerder meent dat, gelet op de beoordeling van de beelden door de inspecteurs en de dierenarts, sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat dit moet leiden tot de vaststelling dat geen sprake is van een overtreding door [naam 2] , [naam 8] , en [naam 3] en wel van overtredingen door de andere bedrijven (kwalificatie van de feiten). Het College stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit wat betreft al deze aspecten niet de vereiste duidelijkheid heeft verschaft. Het bestreden besluit is dan ook, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht(Awb), onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

[…]

Het Interventiebeleid en de sanctionering

5.8. Verweerder heeft de geconstateerde overtredingen getoetst aan het interventiebeleid van de NVWA ten einde te bepalen of de vastgestelde overtredingen tot een sanctie moeten leiden en zo ja welke dan. Gelet op de onder 5.6 genoemde gebreken ten aanzien van de vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden, en de beantwoording van de vraag of op grond van die feiten en omstandigheden sprake is van de door appellante in haar handhavingsverzoek genoemde overtredingen, kan het standpunt van verweerder dat overeenkomstig het interventiebeleid voor de vastgestelde overtredingen schriftelijke waarschuwingen zijn opgelegd en het handhavingsverzoek in zoverre dus niet voor toewijzing in aanmerking komt, niet worden gedragen door de hieraan ten grondslag gelegde motivering. Immers, zolang de vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden, en de kwalificatie van de overtredingen door verweerder niet naar behoren in de volle breedte van het handhavingsverzoek zijn beoordeeld, is ook onduidelijk welk interventiebeleid precies van toepassing is en welke sanctie al dan niet op zijn plaats is. Verweerder heeft bovendien ter zitting erkend dat bij de eenden sprake is van lijden en dat hij het interventiebeleid dierenwelzijn bij transport (IB01-SPEC17, versie 3) onjuist heeft toegepast. Nu er sprake is van lijden had regel 47 van bijlage II van het interventiebeleid moeten worden toegepast in plaats van regel 46. Verweerder gaat er bovendien van uit dat geen sprake is van ernstig lijden, terwijl gelet op de door het College bekeken beelden en de veterinaire verklaring van 4 juli 2018 niet op voorhand valt uit te sluiten dat daarvan wel sprake zou kunnen zijn. Dat de dierenarts in haar veterinaire verklaring niet expliciet zegt dat sprake is van ernstig lijden acht het College onvoldoende om ernstig lijden uit te sluiten. De dierenarts spreekt in haar veterinaire verklaring van veel stress, pijn en ongemak en risico op verstikking bij de eenden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij geen navraag bij de dierenarts heeft gedaan of het lijden in dit geval kan worden aangemerkt als ernstig, omdat de betreffende dierenarts met pensioen is. Niet valt in te zien dat verweerder dit niet aan een andere toezichthoudend dierenarts had kunnen voorleggen. Het bestreden besluit is ook op de hiervoor genoemde punten, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd over het interventiebeleid, nu verder geen verdere bespreking behoeft.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2021:1044

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *