CRvB 22 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1476 – twijfel bij overtreding wordt bij bestraffende sanctie ten voordele van overtreder uitgelegd.

4.1. Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op indien een belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete staan in de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12. Deze uitspraak geldt ook voor artikel 18a van de PW en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze sinds 1 januari 2017 luiden.

4.2. Een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging. Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat de waarborg dat eenieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat de bijstandverlenende instantie feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet aantonen dat de betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund. Vergelijk de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024. De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde, is dus zwaarder dan die bij beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Het college dient dan ook aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete op te leggen.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten onrechte een boete heeft gekregen omdat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellant heeft, zowel telefonisch als door middel van het wijzigingsformulier, in april 2017 gemeld dat hij werk had gevonden. Gelet op de door hem opgegeven hoogte van zijn inkomsten van ongeveer € 1.700,-, was het duidelijk dat hij geen bijstand meer nodig had.

4.4. Niet in geschil is dat appellant op 11 april 2017 telefonisch heeft gemeld dat hij werk had gevonden en dat hij op het wijzigingsformulier in april heeft doorgegeven dat hij op 10 april 2017 aan het werk is gegaan en dat zijn inkomsten ongeveer € 1.700,- bedroegen. Ook is niet in geschil dat appellant daarna geen inkomsten heeft doorgegeven of loonstroken heeft overgelegd. Uit het bestreden besluit, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, leidt de Raad af dat het college zich op het standpunt stelt dat appellant wel melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden, maar dat appellant heeft nagelaten om uit eigen beweging zijn inkomsten aan het college door te geven of loonstroken over te leggen. Daarnaast heeft appellant niet gereageerd op het verzoek dat het college in het opschortingsbesluit heeft gedaan. Het college gaat er daarmee echter aan voorbij dat appellant onverwijld en uit zichzelf, ook via een wijzigingsformulier, heeft gemeld dat hij werk heeft en welke inkomsten hij naar verwachting daaruit zal hebben. De verwachte inkomsten lagen ruim boven de voor appellant geldende bijstandsnorm. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van het college om, als het college nadere informatie nodig heeft voor de beoordeling van de bijstandbehoevendheid, deze aan appellant te vragen met toepassing van artikel 53a, eerste lid, van de PW en rustte op appellant niet de verplichting om spontaan gegevens over de hoogte van het loon per maand of loonspecificaties te verstrekken. Het college heeft pas op 1 september 2017 met het onder 1.2 genoemde opschortingsbesluit gevraagd om – uiterlijk 11 september 2017 – loonoverzichten in te leveren. Dit betekent dat eerder geen sprake was van schending van de inlichtingenverplichting.

4.5. Uit 4.4 volgt dat het bestreden besluit, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet deugdelijk is gemotiveerd en om die reden moet worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 18 januari 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 4 mei 2018, te herroepen en met toepassing van artikel 8:72a van de Awb een waarschuwing te geven. In dit verband wordt het volgende overwogen.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1476

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *