Rb. Amsterdam 8 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4891 – onaantastbare, maar evident onrechtmatige, eerdere boete wordt als bijzondere omstandigheid in mindering gebracht op latere rechtmatige boete

Verlaging boete vanwege eerdere boeteoplegging?

12. De rechtbank stelt vast dat in de beschikking van 2 maart 2015 aan Cargill een boete is opgelegd van € 14.400 wegens overtreding van artikel 4.6, eerste lid, van het Arbobesluit. Cargill heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze boete. Dit betekent dat de boete in rechte vaststaat. Op de zitting heeft de minister uitdrukkelijk erkend dat de boetebeschikking van 2 maart 2015 ten aanzien van Cargill onjuist is, omdat Cargill destijds geen overtreder was. Anders dan Cargill vindt de rechtbank dat deze erkenning niet de evenredigheid raakt van de boete naar aanleiding van het ongeval op 15 december 2017. De rechtbank stelt voorts vast dat het verzoek om herziening van de boetebeschikking van 2 maart 2015 door de minister bij besluit van 18 september 2019 is afgewezen omdat door Cargill geen feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gebracht die ten tijde van de besluitvorming nog niet bij de minister bekend waren of konden zijn. Ondanks de formele rechtskracht van de boetebeschikking van 2 maart 2015 en het besluit van 18 september 2019 ziet de rechtbank wel aanleiding om in deze zaak rekening te houden met de erkenning namens de minister. Het sanctierecht beoogt onder meer normhandhaving en vergelding na ongewenst gedrag. Thans staat vast dat in 2015 ten onrechte aan Cargill een boete is opgelegd. Die ten onrechte opgelegde boete betreft overtreding van hetzelfde artikel en betreft dezelfde partijen als in deze zaak. De rechtbank wijst erop dat in het strafrecht het mogelijk is om de in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen in mindering te brengen op een uit andere hoofde opgelegde vrijheidsstraf, indien de zaak van de voorlopige hechtenis eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel (zie artikel 534, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, tot en met 31 december 2019 in artikel 90, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering, en de daarop gebaseerde uitspraken). Het hiervoor genoemde is voor de rechtbank een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om het bedrag van de in 2015 ten onrechte opgelegde en door Cargill betaalde boete in mindering te brengen op het bij het bestreden besluit vastgestelde boetebedrag.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4891

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *