Rb. Den Haag, 18 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5004 – StAB rapport leidt achteraf tot conclusie dat spoedeisende bestuursdwang ten onrechte is toegepast.

Het oordeel van de rechtbank

9. Voor de wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

10. Beoordeeld moet worden of in dit geval sprake was van een situatie waarin verweerder handhavend kon optreden door het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. In dit verband wordt overwogen dat voor het aannemen van een schending van artikel 1a van de Woningwet niet noodzakelijk is dat wordt aangetoond dat zich een gevaarlijke of onveilige situatie voordoet. Voldoende is dat redelijkerwijs te verwachten is dat de staat van een bouwwerk gevaar voor de gezondheid of de veiligheid oplevert.3 Of verweerder deze redelijke verwachting mocht hebben, dient te worden beoordeeld aan de hand van de bij verweerder ten tijde van het primaire besluit aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens.4

11. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit dit beoordelingskader volgt dat slechts beperkt gewicht kan worden toegekend aan ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden na het primaire besluit en aan gegevens die na het nemen van dat besluit bekend zijn geworden. Het beoordelingskader sluit naar het oordeel van de rechtbank echter niet uit dat betekenis toekomt aan informatie die dateert van na het primaire besluit en die een ander licht werpt op de bij verweerder ten tijde van het primaire besluit aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens. Ook bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit als hier aan de orde, dient immers beoordeeld te worden of de gegevens waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk juist zijn. Bij die beoordeling kan gewicht toekomen aan een achteraf opgesteld advies van een deskundige waarin onderzoek is verricht naar de kennis en gegevens waarover het bestuursorgaan beschikte ten tijde van het primaire besluit. Een ander oordeel zou er immers toe kunnen leiden dat een besluit rechtmatig moet worden bevonden, ook als achteraf wordt vastgesteld dat dit is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie.

12. In deze zaak heeft de rechtbank de STAB verzocht om advies uit te brengen. In beginsel mag de rechtbank afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

12.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van de STAB voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en bevat het geen zodanige gebreken dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De STAB heeft het dossier bestudeerd, met beide partijen een gesprek gevoerd, ontbrekende stukken opgevraagd en locatieonderzoek verricht. Daarnaast heeft de STAB de reacties van beide partijen op het conceptrapport en de door verweerder ingebrachte deskundigenrapporten meegewogen en gemotiveerd toegelicht in hoeverre hierin aanleiding werd gezien om de eigen conclusies aan te vullen of te wijzigen. Dat deze reactie van de STAB op de deskundigenrapporten van verweerder tekortschiet, is de rechtbank niet gebleken. De conclusies van de STAB zijn bovendien duidelijk en voorzien van een navolgbare onderbouwing.

Met betrekking tot de door verweerder ingebrachte deskundigenrapporten acht de rechtbank voorts van belang dat hieruit, met uitzondering van het rapport van Pelecon van 6 oktober 2020, niet volgt dat op 24 oktober 2018 sprake was van acuut instortingsgevaar. Uit deze rapporten volgt dat er vanwege de achteruitgang van de constructieve staat van de kerk grote zorgen waren over de stabiliteit en de draagkracht van de constructie en de veiligheid van omwonenden, onderscheidenlijk dat instortingsgevaar niet was uit te sluiten. Zorgen of twijfels over de constructieve staat van een gebouw of het niet kunnen uitsluiten van instortingsgevaar kunnen echter niet zonder meer op één lijn worden gesteld met de conclusie dat sprake is van direct instortingsgevaar. Aan de conclusies in het rapport van Pelecon van 6 oktober 2020 kent de rechtbank geen doorslaggevende waarde toe. Deze rapportage is in essentie een bevestiging van de eerdere bevindingen van Pelecon (destijds: Peters & Van Leeuwen) die in hoofdzaak waren gebaseerd op enkele lintvoegwaterpassingen en visuele waarnemingen. De STAB heeft in haar advies voldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze bevindingen niet gevolgd kunnen worden.

12.2. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het rapport van de STAB aan haar oordeelsvorming ten grondslag zal leggen. Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat op 24 oktober 2018 geen sprake was van acuut instortingsgevaar van de Turfmarktkerk, zodat voor verweerder geen aanleiding bestond om spoedeisende bestuursdwang toe te passen.

12.3. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij begrip heeft voor het feit dat verweerder, toen hij de rapportages van 17 en 22 oktober 2018 ontving, meende dat ingrijpen nodig was. De rapporten van de ODMH en van Peters & Van Leeuwen van 17 en 22 oktober 2018 wekten immers de indruk dat sprake was van een gevaarlijke situatie die tot onmiddellijk ingrijpen noopte. Verder is het de rechtbank duidelijk dat de bouwkundige staat van de kerk al langere tijd onderwerp van zorg van verweerder was, ook omdat vaststaat dat het instorten van de kerk zeer ingrijpende gevolgen had kunnen hebben voor de nabijgelegen woningen. De rechtbank kan er echter niet aan voorbijzien dat door de STAB achteraf is geconcludeerd dat de rapportages waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming niet kunnen worden onderschreven. Op grond van die rapportages heeft verweerder dus ten onrechte de verwachting gevormd dat de Turfmarktkerk op 24 oktober 2018 vanwege zijn bouwkundige staat een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid opleverde. Verweerder heeft zich gebaseerd op informatie waarvan achteraf is vastgesteld dat deze onvoldoende steun bood aan het besluit om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Het besluit dat op deze rapportages is gebaseerd, kan daarom niet in stand blijven.

12.4. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Verweerder heeft het primaire besluit ten onrechte genomen en dit besluit ten onrechte in bezwaar gehandhaafd. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven derhalve geen bespreking. De rechtbank zal bestreden besluit I vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5004

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *