Vzr. CBb 11 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:145 – invorderingsbeschikking geschorst vanwege beslaglegging op pensioen en feit dat opgeworpen rechtsvraag in bodemprocedure beantwoord moet worden.

5.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd. Dit betekent dat dit besluit in rechte is komen vast te staan. Volgens vaste jurisprudentie kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Verzoeker betwist niet dat hij de overtreding heeft gepleegd en overtreder is. Dit betekent dat de door verzoeker aangevoerde grond dat verweerder niet per controle een dwangsom mag opleggen, hetgeen ziet op de rechtmatigheid van het dwangsombesluit, voorshands geen aanleiding vormt voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van invordering.

5.2. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht over de controle van 22 januari 2020 ziet de voorzieningenrechter eveneens vooralsnog geen grond om deze controle onrechtmatig te achten. Daargelaten wat verzoeker aanvoert over de politiecontrole, verweerder is ook zonder de aanleiding van een politiecontrole bevoegd op grond van artikel 5.15, eerste lid, van de Awb te onderzoeken of verzoeker uitvoering geeft aan de last.

5.3. Op grond van het vorenstaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de dwangsom in ieder geval één keer verbeurd. Ten aanzien van de tweede dwangsominvordering stelt verzoeker zich op het standpunt dat de periode tussen de twee controles zo kort was dat niet in redelijkheid kon worden verwacht dat de overtreding was beëindigd. Er is volgens verzoeker sprake van een doorlopende overtreding. Vanwege het feit dat hierover in vergelijkbare zaken als die van verzoeker niet eerder uitspraken zijn gedaan door het College en de beoordeling hiervan zich niet leent voor een procedure bij de voorzieningenrechter, onthoudt hij zich daarom verder van een oordeel over de rechtmatigheid van de tweede dwangsominvordering, ook in voorlopige zin. De voorzieningenrechter beperkt zijn oordeel daarom tot het wegen van de betrokken belangen van partijen in deze procedure.

5.4. Gelet op de hoogte van het bedrag van de tweede dwangsominvordering en de beslaglegging op nagenoeg het gehele ABP-pensioen van de echtgenote van verzoeker acht de voorzieningenrechter het belang bij schorsing van het invorderingsbesluit, voor zover het betrekking heeft op de tweede verbeurde dwangsom, in dit geval zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij invordering voorafgaand aan de uitspraak in de bodemprocedure.

De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om het verzoek gedeeltelijk toe te wijzen en het invorderingsbesluit gedeeltelijk te schorsen.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *