AB 2021/182 – Geen ambtshalve toetsing bijzondere omstandigheden bij invordering.

AB 2021/182
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VAN DE RAAD VAN STATE
10 februari 2021, nr. 201907694/1/R1
(Mrs. W.D.M. van Diepenbeek, C.C.W. Lange, B. Meijer)
m.nt. T.N. Sanders
Art. 5:37 Awb
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8443
Milieurecht Totaal 2021/7237
ECLI:NL:RVS:2021:275


Rechtbank heeft ten onrechte ambtshalve onderzocht of er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Noot

Auteur: T.N. Sanders

1.

Groot zal de verbazing zijn geweest bij zowel het college als de overtreder toen zij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland onder ogen kregen. Het college en de overtreder waren het er namelijk over eens dat er tot en met 8 mei 2019 sprake was van bijzondere omstandigheden. Het ging hen er eigenlijk alleen om of het college, gelet op de ontwikkelingen na 8 mei 2019, alsnog mocht overgaan tot invordering. De voorzieningenrechter concludeert echter dat er nooit sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die invordering van de verbeurde dwangsom in de weg stonden. Het college mocht dus gewoon invorderen. Wat er na 8 mei 2019 is gebeurd doet daarom niet ter zake, aldus de voorzieningenrechter.

2.

Gelet op de hoge drempel voor bijzondere omstandigheden kan het zo maar eens zijn dat de voorzieningenrechter objectief gezien helemaal gelijk heeft met zijn of haar uitspraak. Als er nooit sprake was van bijzondere omstandigheden, dan doet het er inderdaad niet toe of er later iets is gebeurd waardoor géén sprake meer is van bijzondere omstandigheden.

3.

Tegelijkertijd staat deze ambtshalve beoordeling door de voorzieningenrechter op gespannen voet met artikel 8:69 Awb. Partijen zijn het er namelijk over eens dat er wel sprake was van bijzondere omstandigheden — in ieder geval tot en 8 mei 2019. Dat was dus geen onderwerp van het geschil. Daar had de voorzieningenrechter zich dus niet tegenaan mogen bemoeien. De Afdeling oordeelt daarom dat de voorzieningenrechter in strijd met artikel 8:69 Awb heeft gehandeld in dit geval.

4.

Dat oordeel vind ik heel begrijpelijk. Ik ga nu heel kort door de bocht, maar de kern van artikel 8:69 Awb is dat als partijen er niet over piepen, de bestuursrechter er niet zelf over mag gaan piepen. De uitzondering daarop is als het een aspect van openbare orde betreft. Die mag de bestuursrechter wel uit zichzelf (‘ambtshalve’) toetsen. Aspecten van openbare orde zijn, zoals Brugman het formuleert (onder verwijzing naar Schreuder-Vlasblom): “regels met een zodanig belang in en voor de rechtsorde dat zij los van de wil en kennis van partijen moeten worden gehandhaafd” (D. Brugman, ‘Hoe komt de bestuursrechter tot haar recht: een tussenbalans na tien jaar’, JBplus 2021/1, p. 5).

5.

Nu zal je van mij niet gauw horen dat invordering niet belangrijk is. Ook ben ik van mening dat een adequate handhaving (waaronder de invordering van verbeurde dwangsommen) van fundamenteel belang is voor (het geloof in) de rechtsorde. Ik denk alleen niet dat de beginselplicht tot invordering zodanig belangrijk is dat die “los van de wil en kennis van partijen” zou moeten worden gehandhaafd door de bestuursrechter. Dat betekent ook dat ik vind dat als het college ervoor kiest om een overtreder om welke reden dan ook te matsen, dit (bij gebrek aan derde-belanghebbenden) aanvaardbaar is. Dan is het niet aan de bestuursrechter om alsnog invordering van de dwangsom af te gaan dwingen.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *