Rb. Rotterdam 19 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14917 – Concreet zicht op beëindiging overtreding, DNB heeft ten onrechte last opgelegd. Onrechtmatige openbaarmaken = grond voor matiging boete.
Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak: 19 december 2025
Datum publicatie: 19 december 2025
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2025:14917
Fragment:
Het opleggen van een last onder dwangsom was in strijd met het evenredigheidsbeginsel
5. [Eiseres] betoogt dat het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig was, onder meer omdat concreet zicht op legalisatie dan wel beëindiging van de overtreding bestond.
5.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678), geldt bij de toetsing van handhavingsbesluiten aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. In dat geval moet van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
5.2.
Van concreet zicht op legalisatie was in dit geval geen sprake. Door de overdracht van de klanten van [eiseres] in Nederland aan [indiener registratieaanvraag] (na registratie bij DNB) werd de overtreding niet gelegaliseerd, maar werd de feitelijke gedraging van [eiseres] die de overtreding opleverde, en daarmee dus de overtreding, beëindigd. Dat de registratieaanvraag door een groepsvennootschap is ingediend, mede ten behoeve van de klanten van [eiseres] in Nederland, biedt, anders dan [eiseres] meent, geen grond voor een ander oordeel (vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 6 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9599, overweging 5.2). Dit laat onverlet dat ook concreet zicht op beëindiging van de overtreding een reden kan zijn om van handhavend optreden af te zien (zie ook de conclusies van staatsraad advocaat-generaal mr. P.J. Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, onder 4.2.7, en 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:738, onder 5.7).
5.3.
Ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom stond niet zonder meer vast dat de overtreding op korte termijn zou worden beëindigd door middel van de beoogde registratie en klantenoverdracht. Hoewel het belang bij een spoedige beëindiging van de overtreding voor zich spreekt, is het gewicht dat aan dit belang moet worden gehecht mede afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij ook acht moet worden geslagen op de handelwijze van DNB als toezichthouder (vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:7345, overweging 11.4.2).
De feitelijke handelwijze van DNB duidt er niet op dat zij een spoedige beëindiging van de overtreding van groot belang heeft geacht. Weliswaar heeft DNB [eiseres] bij brief van 19 april 2022 dringend verzocht om de overtreding te beëindigen door op de kortst mogelijke termijn te stoppen met het aanbieden van de cryptodiensten in Nederland, maar pas acht maanden later, op 23 december 2022, heeft zij haar voornemen om aan [eiseres] in dit verband een last onder dwangsom op te leggen kenbaar gemaakt, om vervolgens ruim drie maanden daarna, op 5 april 2023, bijna een jaar na de brief van 19 april 2022, deze last daadwerkelijk op te leggen.
In de tussentijd had [indiener registratieaanvraag] op 14 oktober 2022 bij DNB een registratieaanvraag ingediend en bij e-mail van 1 november 2022 aan DNB te kennen gegeven dat de klanten van [eiseres] in Nederland na registratie van [indiener registratieaanvraag] aan haar worden overgedragen. Dat van de zijde van [eiseres] pas hiermee een eerste concrete stap werd gezet naar beëindiging van de overtreding, laat onverlet dat uit het door [eiseres] uiteengezette (onweersproken) verloop van de registratieprocedure blijkt dat deze procedure op het moment dat DNB op 5 april 2023 uiteindelijk besloot om aan [eiseres] een last onder dwangsom op te leggen al zo ver was gevorderd dat de uitkomst daarvan waarschijnlijk niet lang meer op zich zou laten wachten, zeker als de wettelijke beslistermijn op de registratieaanvraag in acht zou worden genomen. Nu gesteld noch gebleken is dat een afwijzing van de registratieaanvraag in de lijn der verwachting lag, was het ten tijde van primair besluit I waarschijnlijk dat de overtreding binnen korte tijd zou worden beëindigd door middel van de klantenoverdracht aan [indiener registratieaanvraag], waarmee de [groep waarvan indiener registratieaanvraag en eiseres deel uitmaken] de klanten van [eiseres] in Nederland zou kunnen behouden.
Onder deze omstandigheden kan de rechtbank DNB niet volgen in haar standpunt dat het noodzakelijk en evenwichtig was om een last onder dwangsom op te leggen voordat de uitkomst van de registratieprocedure bekend was. Weliswaar stond de uitkomst van registratieprocedure noch het exacte tijdstip waarop zou worden beslist op de registratieaanvraag vast, maar daar staat tegenover dat de feitelijke handelwijze van DNB er niet op duidt zij een spoedige beëindiging van de overtreding van groot belang heeft geacht en dat het belang van [eiseres], althans de [groep waarvan indiener registratieaanvraag en eiseres deel uitmaken], bij het behoud van de klanten in Nederland zwaarwegend moet worden geacht. Met de verlenging van de begunstigingstermijn tot en met 2 augustus 2023, de datum waarop [eiseres] de overdracht van haar klanten in Nederland aan [indiener registratieaanvraag] heeft afgerond, heeft DNB dit overigens in zekere zin ook erkend. De conclusie is dan ook dat het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig was en dat daarvan had behoren te worden afgezien.
5.4.
Het betoog slaagt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14917
Leave a Reply