ABRvS 26 februari 2020 – ECLI:NL:RVS:2020:588 – interpretatie bestemmingsplan ‘wonen’ bij handhaving

Print deze pagina

3.2.    De vraag is nu of de hiervoor geschetste kortdurende verhuur aan toeristen kan worden aangemerkt als “wonen”. De Afdeling stelt met de rechtbank vast dat het bestemmingsplan niet omschrijft wat onder “wonen” verstaan moet worden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de interpretatie van dat begrip daarom aansluiting dient te worden gezocht bij het normale spraakgebruik en dat “wonen” een zekere duurzaamheid vereist (vergelijk daartoe onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1633). De duur van het verblijf is, zoals [appellant] terecht stelt, niet doorslaggevend voor de vraag of een verblijf voldoende duurzaam is om te worden aangemerkt als “wonen”. Van belang zijn ook de andere omstandigheden van het geval, waaronder hier het feit dat de huurders toeristen waren met een hoofdverblijf elders, die slechts een kortdurend recreatief verblijf hielden in de appartementen, dat hen het leveren van beddengoed en de schoonmaak uit handen werd genomen, en dat zij – gelet op het ontbreken van een inschrijving in de Basisadministratie personen en hun verklaringen tegen de toezichthouders – niet de bedoeling hadden zich voor langere of kortere duur ter plaatse te vestigen. Gelet op de korte duur van het verblijf en deze overige omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik dat ten tijde van de controles van de appartementen werd gemaakt niet voldoende duurzaam was om te kunnen worden aangemerkt als “wonen”.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@120082/201807382-1-a1/

Print deze pagina