CBb 27 januari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:23 – Overtreder wordt tegengeworpen dat hij pas in bezwaar een alternatieve verklaring heeft gegeven voor de feiten. Niet toen toezichthouders hun bevindingen aan hem voorhielden, tijden het hoorgesprek of in zijn eerste verklaring. Daarom niet geloofwaardig.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Datum publicatie: 27 januari 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:23
Fragment:
7.2
Dat het aanbrengen van een neustussenschot-perforerende ring is aan te merken als een verboden lichamelijke ingreep, is tussen partijen niet in geschil. Wat partijen wel verdeeld houdt is of de door de toezichthouders tijdens de op 9 maart 2023 uitgevoerde controle bij vier runderen aangetroffen neusringen wel (volgens de toezichthouders) of niet (volgens de vennootschap) het neustussenschot van de runderen perforeerden. Het College overweegt hierover als volgt.
7.3
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door (een) hiertoe bevoegde toezichthouder(s) en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als het rapport van bevindingen, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat de minister zijn besluit niet (uitsluitend) op het rapport van bevindingen mocht baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van hetgeen hij heeft waargenomen (zie de uitspraak van het College van 28 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:38, onder 5.2).
7.4.1
In wat de vennootschap heeft aangevoerd, ziet het College onvoldoende reden om aan de betrouwbaarheid van het rapport van bevindingen te twijfelen en te oordelen dat de minister het kortingsbesluit daarop niet mocht baseren. Gelet op de inhoud van dit rapport met de daarin opgenomen verklaringen is de enkele stelling van de vennootschap dat sprake is geweest van niet tussenschot-perforerende neusringen daartoe onvoldoende. Hierbij wordt het volgende overwogen.
7.4.2
Tijdens het controlebezoek op 9 maart 2023 hebben de toezichthouders hun bevindingen aan de vennoten [naam 2] en [naam 3] meegedeeld en meegedeeld dat zij hen op een later tijdstip daarover wilden horen. Eén van de bevindingen betrof vier runderen die waren voorzien van een neusring die het neustussenschot perforeerde (zie pagina 3 van het rapport van bevindingen). Op 13 maart 2023 hebben de toezichthouders een verklaring van [naam 2] opgenomen, waarbij hem is meegedeeld dat zij hem wilden horen naar aanleiding van hun bevindingen ten aanzien van de op 9 maart 2023 aangetroffen vier runderen waarbij een neustussenschot-doorborende ring (een zogenoemde gladde stierenneusring) was aangebracht, wat een niet toegestane ingreep is. Aan het einde van het hoorgesprek is aan [naam 2] medegedeeld dat een uitgewerkte versie van de door hem tijdens het hoorgesprek afgelegde verklaring per e-mail aan hem zou worden verzonden en is hem verzocht om die verklaring, na doorlezing en indien akkoord, aan de toezichthouder te retourneren, zodat die bij het (nog op te stellen) rapport van bevindingen kon worden gevoegd. Op 16 maart 2023 heeft de toezichthouder de door [naam 2] op 15 maart 2023 ondertekende verklaring, voorzien van een handgeschreven aanvulling, ontvangen.
7.4.3
Uit de in het rapport van bevindingen beschreven gang van zaken blijkt dat de vennootschap op geen enkel moment, bijvoorbeeld op het moment dat de toezichthouders haar de naar aanleiding van hun bevindingen geconstateerde overtreding voorhielden (op
9 maart 2023), dan wel tijdens het hoorgesprek met de toezichthouders (13 maart 2023) of na het doorlezen, aanvullen en ondertekenen van de door [naam 2] afgelegde verklaring (15 maart 2023), heeft betwist dat de bij de vier runderen aangetroffen neusringen het neustussenschot perforeerden, zoals haar werd voorgehouden. Aan het voor het eerst in bezwaar en beroep door de vennootschap naar voren gebrachte argument dat het zou gaan om aangepaste, niet neustussenschot-perforerende gladde stierenringen, komt onder die omstandigheden niet de door haar gewenste waarde toe. Ook als juist is dat de toezichthouders – zoals de vennootschap aanvoert – de neusringen bij de vier runderen niet hebben rondgedraaid of verwijderd is dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het rapport van bevindingen onjuist is.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:23
Leave a Reply