CBb 13 mei 2025, ECLI:NL:CBB:2025:299 – Vrijstelling van griffierecht vanwege ontbreken draagkracht, betekent nog niet dat dwangsom niet ingevorderd kan worden.

Print deze pagina

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 13 mei 2025

Datum publicatie: 13 mei 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:299

Fragment:

Oordeel van het College

Verzoek tot vrijstelling van betaling van het griffierecht

5 [naam 1] heeft een verzoek om vrijstelling van het betalen van griffierecht ingediend. In zijn uitspraak van 23 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:104) heeft het College zich aangesloten bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282), waarin is geoordeeld dat bij onvoldoende financiële draagkracht heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het betalen van griffierecht worden verleend. Een rechtzoekende moet daarvoor aannemelijk maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Op basis van de door [naam 1] ingediende gegevens vindt het College aannemelijk dat [naam 1] in de periode waarin griffierecht was verschuldigd voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling van griffierecht, zoals genoemd in de hiervoor genoemde uitspraak van 13 februari 2015. Aan hem wordt daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht verleend.

Moet het invorderingsbesluit ook worden beoordeeld?

6.1
Het College stelt voorop dat het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ook betrekking heeft op het invorderingsbesluit, gelet op wat in artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald. Het College zal het invorderingsbesluit dus ook beoordelen.

Is er sprake van een overtreding?

6.2
De minister heeft het dwangsombesluit gebaseerd op het toezichtrapport van 30 juni 2022. Volgens de rechtspraak van het College, waaronder de uitspraak van het College van 14 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:131, mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als het toezichtrapport, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat het bestuursorgaan zijn besluit niet (uitsluitend) op het toezichtrapport mocht baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van hetgeen hij heeft waargenomen. Het ligt op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen toch onjuist zijn (zie onder andere de uitspraak van het College van 19 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:514).

6.3
De toezichthouders hebben op het moment van de controle (15 juni 2022) vastgesteld dat 82 schapen niet tijdig juist waren gemerkt met twee oormerken. In geschil is of de minister terecht heeft vastgesteld dat [naam 1] hierdoor een overtreding heeft begaan.

6.4
In wat [naam 1] heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen zoals neergelegd in het rapport van bevindingen dat de grondslag vormt van de last onder dwangsom. Zoals [naam 1] ter zitting heeft verklaard, waren zijn schapen niet voorzien van een maagbolus, maar enkel van één merk met een nummer en een chip/transponder. Volgens [naam 1] is dit voldoende en waren bij zijn schapen twee identificatiemogelijkheden verenigd in één oormerk. De oormerken waren immers voorzien van een nummer en van een chip/transponder.

6.5
Op grond van artikel 45, tweede lid, van de Verordening 2019/2035 moeten de daar bedoelde houders van schapen er – kort gezegd – voor zorgen dat elk van die dieren geïdentificeerd is door een conventioneel oormerk en door een van de in bijlage III, onder c) tot en met f) bedoelde identificatiemiddelen die zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de schapen worden gehouden. Zoals de minister ter zitting heeft uiteengezet, gaat het in Nederland dan naast het conventionele oormerk om een elektronisch oormerk en een bolustransponder (maagbolus). Beide identificatiemiddelen moeten bovendien voorzien zijn van een leesbare en onuitwisbare vermelding van de identificatiecode van het dier.

6.6
Gelet op artikel 45, tweede lid, van de Verordening 2019/2035 heeft de minister naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat de identificatie van de schapen van [naam 1] niet voldoende was, nu zijn schapen uitsluitend waren voorzien van een oormerk met nummer en een chip/transponder, en daarmee van een elektronisch oormerk, en niet tevens van een merk met een nummer zonder chip (conventioneel oormerk). Nu de dieren derhalve niet op twee manieren geïdentificeerd waren, heeft de minister terecht een overtreding van de onder 1.3 genoemde bepalingen vastgesteld.

6.7
Het betoog van [naam 1] dat de rechtbank Amsterdam de regelgeving over het merken van schapen anders heeft uitgelegd dan de minister in het bestreden besluit, slaagt niet, nu [naam 1] niet heeft vermeld op welke uitspraak van de rechtbank Amsterdam hij hier doelt.

6.8
Nu de minister gelet op het bovenstaande terecht heeft vastgesteld dat sprake was van een overtreding van de hiervoor genoemde bepalingen, is het College van oordeel dat de minister bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen aan [naam 1] .

6.9
Gelet op het vorenstaande is het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.

Invorderingsbesluit

7.1
Zoals hiervoor onder 6.1 overwogen, heeft het beroep van [naam 1] ook betrekking op het invorderingsbesluit.

7.2
Op 2 januari 2023 hebben toezichthouders bij een hercontrole op het bedrijf van [naam 1] geconstateerd dat meer dan 20 dieren slechts met één elektronisch merk waren gemerkt.

7.3
Het College heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen in het Bedrijfscontrolerapport, nu [naam 1] niet heeft betwist dat bij de hercontrole meer dan 20 dieren alleen van een elektronisch merk waren voorzien.

7.4
Het College oordeelt dat de minister gelet op het vorenstaande terecht heeft geconcludeerd dat [naam 1] niet heeft voldaan aan de opgelegde maatregel uit het dwangsombesluit en dat de opgelegde dwangsom tot een bedrag van € 5.000,- is verbeurd. [naam 1] heeft geen omstandigheden aangevoerd die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om van de invordering van deze verbeurde dwangsom af te zien.

7.5
Gelet op het voorgaande is het beroep van [naam 1] voor zover dit is gericht tegen het invorderingsbesluit eveneens ongegrond.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:299

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *