ABRvS 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2627 – Digitale wereld is geen ‘openbare plaats’ in de zin van de APV – maar “het is […] aan de wetgever om een daarop toegesneden wettelijk voorschrift vast te stellen”. Last terecht vernietigd.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 11 juni 2025
Datum publicatie: 11 juni 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2627
Fragment:
3. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen overtreding van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de Apv is. Deze bepaling kan ook door online gedragingen worden overtreden. De rechtbank miskent dat de Kanaalstraat en dus de fysieke openbare ruimte de plaats is waar de wanordelijkheden dreigden te gaan plaatsvinden. Een voor iedereen toegankelijk digitaal platform als Telegram deelt kenmerken met een fysieke openbare plaats en moet daarom ook gezien worden als openbare plaats.
3.1. Op grond van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de Apv is het verboden om op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. Volgens artikel 1:1, onder b, van de Apv wordt onder ‘openbare plaats’ in de zin van de Apv verstaan: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder de openbare weg. In de toelichting op dit artikel staat dat met de term ‘openbare plaats’ is beoogd om die plaatsen aan te wijzen die voorheen onder het in de Apv te breed gebruikte begrip ‘weg’ vielen en nu niet meer. Het gaat om fysieke plekken, zoals pleinen, parken, of voor publiek toegankelijke stoepen.
3.2. De Afdeling overweegt dat uit de Apv-bepaling en de toelichting daarbij niet blijkt dat ook een digitale ruimte, zoals een groepschat op Telegram, een ‘openbare plaats’ is. De groepschat is weliswaar voor iedereen toegankelijk , maar het is geen fysieke plaats. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat Telegram geen openbare plaats is in de zin van de Apv. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van overtreding van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de Apv.
3.3. De Afdeling meent, met de rechtbank, dat de burgemeester een onjuiste uitleg geeft aan artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de Apv door te stellen dat slechts de gevreesde wanordelijkheden zich op een openbare plaats moeten afspelen, maar niet het gedrag dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden. Dit volgt niet uit dit artikel. De Apv-bepaling is duidelijk bedoeld voor de situatie dat er op de openbare plaats uitdagend gedrag wordt vertoond dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden. Dit blijkt uit de tekst van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de Apv zelf. Er staat namelijk dat het verboden is op of aan een openbare plaats op enigerlei wijze door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. De gedraging die leidt tot de wanordelijkheden moet dus plaatsvinden op of aan een openbare plaats, anders valt de gedraging niet onder het verbod. Gelet op de betekenis van openbare plaats in deze Apv moet het dan gaan om een fysieke plaats in de openbare ruimte. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het ophangen van een pamflet op een openbaar plein waarin wordt opgeroepen tot wanordelijkheden, maar niet bij een digitale oproep.
3.4. Het betoog slaagt niet.
4. Ten overvloede merkt de Afdeling het volgende op. De Afdeling begrijpt dat personen ook via digitale sociale media aanzet kunnen geven tot onrust en wanordelijkheden in de openbare ruimte. Zij begrijpt ook dat de burgemeester zich daar zorgen over maakt en zoekt naar mogelijkheden om dergelijke gevolgen voor de openbare orde te beteugelen. Het is echter aan de wetgever om een daarop toegesneden wettelijk voorschrift vast te stellen. De thans ingeroepen bepaling is niet toegesneden op digitale oproepen en geeft de rechter geen ruimte om deze desondanks wel op digitale oproepen toe te passen.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:2627
Leave a Reply