ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2281 – Voor opiumwet sluiting (bestuursdwang) is functioneel daderschap irrelevant, omdat “wie dat heeft gedaan […] voor het ontstaan van de bevoegdheid […] niet relevant [is]”.
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 22 april 2026
Datum publicatie: 22 april 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:2281
Functioneel daderschap
6. [appellant A] en haar dochters betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de bevoegdheid tot sluiting van een pand niet bepalend is of de betrokkenen, als huurder en hoofdbewoners van het pand, zelf overtreders zijn. Zonder overtreder kan namelijk geen overtreding plaatsvinden. Daarnaast betogen [appellant A] en haar dochters dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:396, gaat over een ander toetsingscriterium. Hiermee miskent de rechtbank dat de termen ‘overtreding’ en ‘overtreder’, zoals gedefinieerd in artikel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht, gelden voor alle in de Awb geregelde bestuurlijke sancties, en dus ook herstelsancties zoals een woningsluiting. Ook verwijzen zij naar het hierboven genoemde vonnis van de kantonrechter, waarin hij heeft geoordeeld dat [appellant A] geen verwijt valt te maken van het feit dat er op 6 februari 2023 drugs met toebehoren in de door haar gehuurde woning zijn aangetroffen.
7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2924, is voor de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen vereist dat er in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is, dan wel dat voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid en onder 3 of artikel 11a voorhanden zijn. Wie dat heeft gedaan, daarvoor verantwoordelijk is of daarbij betrokken is geweest, is voor het ontstaan van de bevoegdheid van de burgemeester om een last onder bestuursdwang op te leggen niet relevant. Het betoog van [appellant A] en haar dochters dat zij niet als functioneel daders kunnen worden aangemerkt, treft daarom geen doel. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
7.1. Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:2281
Leave a Reply