Rb. Noord-Nederland 20 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2539 – Bg-termijn gekoppeld aan moment van uitspraak rechtbank in beroep is in strijd met art. 5:32a Awb.

Print deze pagina

Instantie Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak: 20 juni 2025

Datum publicatie: 26 juni 2025

ECLI: ECLI:NL:RBNNE:2025:2539

Fragment:

Is het besluit in strijd met het beginsel van rechtszekerheid?

10. Eiser stelt dat het bestreden besluit om meerdere redenen onduidelijk is. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser zich op het standpunt stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel. Eiser voert daarvoor het volgende aan. In het bestreden besluit ontbreekt een beschrijving van de geconstateerde feiten, de vermeende overtredingen en de consequenties die het bestuursorgaan daaraan verbindt. Het college kon volgens eiser niet volstaan met een verwijzing naar het primaire besluit.

Ten aanzien van de beplanting is onduidelijk wat precies van eiser wordt verwacht, nu tegelijk wordt aangegeven dat het college bereid is te overleggen over welke beplanting kan blijven staan. Verder was het voor eiser niet duidelijk wat is bedoeld met ‘verharding’.

Bovendien is onduidelijk welke begunstigingstermijn geldt, nu die termijn ten tijde van de beslissing op bezwaar was opgeschort en daar in de beslissing op bezwaar in het geheel niet over wordt gesproken. Verder benadrukt eiser dat het college niet bevoegd was middels een last onder dwangsom op te treden tegen een vermeende inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente.

10.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.

10.2.
Vaste rechtspraak is dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd dient te worden dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.2

10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is in de lasten voldoende duidelijk omschreven welke wettelijke bepalingen volgens het college werden overtreden en wat eiser moest doen om de overtreding te beëindigen. Dat in het besluit tot oplegging van de lasten werd afgeweken van het eerder toegezonden voornemen maakt niet dat het besluit onduidelijk was. Anders dan eiser stelt, was het college niet verplicht om in de beslissing op bezwaar de opgelegde lasten te herhalen. Met betrekking tot de beplanting is de rechtbank van oordeel dat in de last voldoende duidelijk was dat het gebruik als tuin in beginsel moest worden beëindigd door het verwijderen van alle beplanting. Dat het college tegelijk een handreiking deed om in gesprek te gaan om te bezien of een deel van de beplanting kon blijven staan maakt de last niet onduidelijk. Over het gegeven dat de betonplaten moesten worden gezien als verharding kon naar het oordeel van de rechtbank geen verwarring bestaan.

10.4.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat er onduidelijkheid bestaat over de begunstigingstermijn. De begunstigingstermijn is opgeschort per mail op 12 augustus 2023. De rechtbank kwalificeert deze mail als wijziging van de begunstigingstermijn in de last onder dwangsom. In het verweerschrift is namens het college nog gesteld dat de opschorting eindigt 4 weken na de uitspraak van deze rechtbank. Daarmee was sprake van een onbepaalde termijn en is het besluit in strijd met artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb. De rechtbank vind daarvoor steun in de jurisprudentie. Zo bepaalde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de begunstigingstermijn er niet toe strekt de overtreder in de gelegenheid te stellen de uitkomst van het door hem ingestelde beroep af te wachten.3 Een begunstigingstermijn die loopt tot de uitkomst van het hoger beroep bekend is, is in strijd met art. 5:32a van de Awb omdat die afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis en onvoldoende concreet is.4

10.5.
Anders dan eiser stelt is in het bestreden besluit geen sprake van handhaving van inbreuk op eigendomsrechten. Beide partijen maken aanspraak op eigendom van de strook grond. De rechtbank doet daarover in deze zaak geen uitspraak. Deze zaak gaat over de vraag of sprake is van overtreding van publiekrechtelijke voorschriften en of het college daartegen handhavend kon optreden door gebruik te maken van bestuursrechtelijke bevoegdheden. Wie eigenaar is van de grond is daarvoor niet relevant.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:2539

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *