ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4921 – AP mocht afzien van handhaving omdat nader technisch onderzoek vereist is om vast te stellen of er een overtreding is, terwijl dat onderzoek niet doelmatig is. Aanbod verzoeker om HH om dat onderzoek dan te betalen “verdraagt [zich niet] met onafhankelijk rol van de toezichthouder”.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Datum publicatie: 15 oktober 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4921
Fragment:
5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4624, onder 6.1, heeft de AP ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder c, van de AVG beleidsruimte om al dan niet handhavend op te treden. Die beleidsruimte heeft de AP ingevuld met de beleidsregels en door een aantal thema’s te selecteren, focuspunten genoemd, die zij in een bepaalde periode in het bijzonder van maatschappelijke betekenis acht. In de periode 2020 tot en met 2023 waren deze focuspunten datahandel, digitale overheid en artificiële intelligentie en algoritmes.
5.1. Op de zitting bij de rechtbank heeft de AP haar werkwijze aan de hand van de beleidsregels toegelicht. Eerst voert de AP een bureauonderzoek uit. Als daarbij wordt vastgesteld dat nader onderzoek nodig is om vast te stellen of sprake is van een overtreding, wordt op grond van de beleidsregels een afweging gemaakt of nader onderzoek doeltreffend en doelmatig is.
In dit geval heeft de AP vastgesteld dat technisch onderzoek naar de door ICS gebruikte applicaties noodzakelijk is om vast te stellen of er sprake is van een overtreding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de AP zich onder verwijzing naar de beleidsregels op het standpunt heeft mogen stellen dat een nader onderzoek niet doeltreffend en doelmatig is. Daarbij heeft de AP zich op grond van de focuspunten op het standpunt mogen stellen dat de maatschappelijke betekenis van het nader onderzoek beperkt zou zijn omdat de klacht van [appellante] niet ziet op een van de focuspunten van de prioriteringscriteria, en er verder geen sprake was van bijzondere omstandigheden die aan toepassing van de prioriteringscriteria in de weg staan. De AP heeft daarbij mogen betrekken dat [appellante] zich over dezelfde vermeende overtreding ook heeft gewend tot de civiele rechter.
5.2. Het betoog van [appellante] dat de AP ten onrechte haar aanbod heeft afgewezen om het onderzoek te bekostigen, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit aanbod zich niet verdraagt met de onafhankelijke rol van de toezichthouder. Ingevolge artikel 52, tweede lid, van de AVG, blijven de leden van een toezichthoudende autoriteit namelijk vrij van al dan niet rechtstreekse externe invloed.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4921
Leave a Reply