ABRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:737 – “De enkele omstandigheid dat [appellant] de woning niet regelmatig heeft gecontroleerd, is onvoldoende voor het oordeel dat hij als functioneel overtreder moet worden aangemerkt.”
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Datum publicatie: 11 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:737
Fragment:
Beoordeling van het hoger beroep
6. Het hoger beroep van [appellant] komt er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij (functioneel) overtreder is. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij beschikkingsmacht had over de woning en dat hij de overtreding heeft aanvaard. [appellant] is nooit betrokken geweest bij de onzelfstandige onderverhuur van de woning door de huurster. Zij heeft namelijk, in strijd met de huurovereenkomst, de woning onderverhuurd aan de bewoners. Er is verder nooit aanleiding geweest om te vermoeden dat de woning onzelfstandig werd bewoond doordat de huurster de woning had onderverhuurd.
6.1. Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071, houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om natuurlijke personen in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Vergelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest), en van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487. Het bestuursorgaan moet bewijzen dat aan de criteria voor functioneel daderschap is voldaan. Vergelijk de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:579, onder 1.11.
6.2. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] kon beschikken over de omzetting van de woning in onzelfstandige woonruimten, zonder de daarvoor benodigde vergunning. Deze overtreding houdt namelijk direct verband met de wijze waarop de woning wordt gebruikt. De eigenaar van een woning kan in de regel beschikken over dergelijk gebruik van zijn woning, ook als hij deze heeft verhuurd (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2501, onder 5.1, en vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071, onder 9.3).
6.3. Het college heeft evenwel, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet aangetoond dat [appellant] de overtreding heeft aanvaard. De enkele omstandigheid dat [appellant] de woning niet regelmatig heeft gecontroleerd, is onvoldoende voor het oordeel dat hij als functioneel overtreder moet worden aangemerkt. Ook de enkele verklaring aan de HPB van een bewoner dat de huur maandelijks contant aan “[naam]” werd betaald is niet voldoende, nu deze door [appellant] wordt betwist en er geen verdere aanwijzingen zijn overgelegd waaruit volgt dat [appellant] daadwerkelijk langs kwam bij de woning en dus op de hoogte was of kon zijn van de onzelfstandige bewoning. Niet valt uit te sluiten dat dat een andere persoon met de naam “[naam]” is of iemand die zich voor hem heeft uitgegeven. Daarbij komt dat uit door [appellant] overgelegde bankafschriften volgt dat [persoon] maandelijks een bedrag aan hem overmaakte onder vermelding van “huur”, voor het laatst op 4 september 2022, dus ruim twee weken voor de inspectie. [persoon] beschikte op die datum ook nog over een huurcontract met [appellant] voor de woning en stond daar ook in september 2022 nog met haar twee kinderen ingeschreven. Het college heeft geen andere signalen aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat [appellant] niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden verwacht. Niet is gebleken dat hij eerder dan de brief van 28 september 2022 op de hoogte was of kon zijn dat de woning onzelfstandig werd bewoond. Het college heeft niet gesteld, noch onderbouwd dat [appellant] op de hoogte was of kon zijn van de melding van de Politie-eenheid, die aanleiding is geweest voor de inspectie door de HPB. Gelet op het voorgaande is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat [appellant] kan worden aangemerkt als overtreder. Dit betekent dat het college hem ten onrechte een boete van € 10.000,00 heeft opgelegd. Het betoog slaagt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:737
Leave a Reply