Rb. Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27169 – Strijd met una-via beginsel van 5:44 Awb. Overtreder krijgt na oplegging boete een taakstraf van de strafrechter voor hetzelfde feit (het opslaan van professioneel vuurwerk in zijn woning).
Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak: 23 december 2025
Datum publicatie: 5 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2025:27169
Fragment:
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het college de bestuurlijke boete terecht heeft opgelegd.
3.1.
Eiser stelt dat er sprake is van dubbele bestraffing omdat hij op 2 april 2025 is veroordeeld door de politierechter voor het opslaan van illegaal vuurwerk in zijn woning, nadat hem op 3 januari 2024 een bestuurlijke boete was opgelegd. Het ging in beide procedures om dezelfde feiten, dezelfde beschermde belangen en dezelfde gedragingen en daarom moet het boetebesluit worden herroepen.
3.2.
Volgens het college is er geen sprake van dubbele bestraffing. De bestuurlijke boete, die is opgelegd op grond van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012, mag ten uitvoer worden gelegd omdat eiser bij het vonnis van de politierechter is veroordeeld voor andere feiten en overtredingen. Het college verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2020, waarbij een beroep op het verbod op bestraffing via het straf- en bestuursrecht niet werd gehonoreerd.2
3.3.
Artikel 5:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafbeschikking is uitgevaardigd. Dit wordt ook wel het una via-beginsel genoemd.3 De jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (het verbod op dubbele bestraffing binnen het strafrecht of ne bis in idem) is van overeenkomstige toepassing op de uitleg van artikel 5:44 van de Awb.4 Bij het verwijt van overtreding van meerdere voorschriften dient te worden gekeken naar het verschil tussen beide procedures in a) de juridische aard van de feiten, waaronder de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken en b) de gedragingen van de verdachte. Een aanzienlijk verschil tussen beide betekent dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (of van ‘dezelfde gedraging’ in de zin van artikel 5:44 van de Awb) en dat beide procedures doorgang mogen vinden.5 In deze zaak is het de vraag of er bij de bestuurlijke boete aan de ene kant en het vonnis aan de andere kant een aanzienlijk verschil was in de juridische aard van de feiten en de gedragingen van eiser. Alleen als er een dergelijk verschil was – en het dus niet ging om dezelfde gedraging – mocht het college overgaan tot oplegging van de bestuurlijke boete.
3.4.
De bestuurlijke boete is op 3 januari 2024 aan eiser opgelegd voor het overtreden van artikel 1a en 1b van de Woningwet en artikel 7.10 en 7.22 van het Bouwbesluit. Artikel 1a van de Woningwet omvat een algemene zorgplicht, gericht op het niet laten ontstaan of voortduren van een gevaar voor de gezondheid of veiligheid door het gebruik van een bouwwerk.6 Op grond van artikel 1b van de Woningwet is het verboden een bouwwerk in een staat te brengen of te gebruiken op een manier die niet voldoet aan de op dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften. Artikelen 7.10 en 7.22 van het Bouwbesluit verbieden het hebben van stoffen in een bouwwerk waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt, bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt of op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid. De bovengenoemde bepalingen uit de Woningwet en het Bouwbesluit zijn gericht op de bescherming van de omgeving en de gezondheid van personen. In de bestuurlijke boete die is opgelegd aan eiser wordt dan ook benadrukt: “het hebben van illegaal vuurwerk en het opslaan van dit vuurwerk zonder getroffen veiligheidsmaatregelen in de woning leidt tot brandgevaar, explosiegevaar en gevaar voor persoonlijk letsel van uzelf, omwonenden en hulpverleners. De leefbaarheid, veiligheid en gezondheid van de omgeving is in gevaar.”
3.5.
Eiser is vervolgens op 2 april 2025 door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf voor overtreding van (onder meer) artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer. Volgens dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot het voorhanden hebben van stoffen waarvan een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met deze stoffen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens zullen ontstaan. Het Vuurwerkbesluit is een dergelijke maatregel. Artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit wordt in het vonnis genoemd onder “toegepaste artikelen”. Volgens het eerste lid van dat artikel is het voor particulieren verboden professioneel vuurwerk op te slaan. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet milieubeheer, in verband met de invoering van een algemeen vuurwerkverbod voor consumenten, staat dat het verbod voor consumenten om professioneel vuurwerk voorhanden te hebben werd opgelegd met het oog op de openbare orde en de veiligheid van personen en goederen.7 In relatie tot artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer wordt in deze memorie van toelichting het belang van de gezondheid van de mens en de bescherming van het milieu benadrukt.8
3.6.
In deze zaak zijn de juridische aard van de feiten – een verbod op het opslaan van stoffen die een gevaar opleveren voor personen en de omgeving – en de feitelijke gedragingen van eiser – het opslaan van professioneel vuurwerk in zijn woning zoals geconstateerd op 1 december 2023 – zodanig overeenkomstig dat sprake is van dezelfde gedraging in de zin van artikel 5:44 van de Awb. In dit geval kan aan eiser dus geen bestuurlijke boete ten uitvoer worden gelegd voor het opslaan van vuurwerk in zijn woning, omdat hij daarvoor al strafrechtelijk is veroordeeld. Deze beroepsgrond slaagt.
3.7.
De door het college genoemde uitspraak is niet vergelijkbaar met deze zaak, omdat daar het vonnis en de bestuurlijke boete waren gebaseerd op voorschriften die verschillende belangen beogen te beschermen. In die uitspraak werd een boete opgelegd op grond van de Huisvestingswet omdat eiser de woning deels aan de bestemming tot bewoning had onttrokken door het houden van een hennepkwekerij. Tijdens de boeteprocedure werd eiser opgeroepen voor een zogenaamde OM-zitting en geïnformeerd over het voornemen om hem een strafbeschikking op te leggen op grond van de Opiumwet. De rechtbank overwoog dat de Huisvestingswet beoogt een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte te beschermen, terwijl de Opiumwet ziet op de bescherming van de volksgezondheid. In die zaak was dus geen sprake van dezelfde gedraging in de zin van artikel 5:44 Awb en ging het beroep op het una via-beginsel niet op.
3.8.
Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat eiser op grond van artikel 5:44 Awb geen bestuurlijke boete kon worden opgelegd, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het boetebesluit herroepen. De overige beroepsgronden, die zien op de vaststelling van de categorie vuurwerk in de bestuurlijke rapportage en eisers financiële draagkracht, behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond met betrekking tot het afgewezen verzoek om uitstel van betaling is ter zitting door eiser ingetrokken.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27169
Leave a Reply