CBb 3 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:63 – Ondertekening boetebesluit met elektronische handtekening is toereikend. CBb ziet geen aanleiding om te twijfel dat besluit onbevoegd is genomen.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Datum publicatie: 3 maart 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:63
Fragment:
Ondertekening
8.1
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
“5.7. De grond van eiseres met betrekking tot de elektronische handtekening slaagt niet. Gelet op hetgeen verweerder in het verweerschrift en in de bestreden besluiten heeft uiteengezet over de totstandkoming en rechtsgeldigheid van de elektronische handtekening waarmee de besluiten zijn ondertekend, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten onbevoegdelijk zouden zijn afgegeven. Ook ziet de rechtbank in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door verweerder beschreven wijze van elektronisch ondertekenen van de bestreden besluiten. De stelling van eiseres dat niet kan worden gecontroleerd of de persoon die onder het besluit staat vernoemd ook daadwerkelijk zijn/haar (elektronische) handtekening onder het besluit heeft geplaatst is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de elektronische handtekening onder de (bestreden) besluiten aan het vereiste van ondertekening is voldaan. Daarbij is de rechtbank niet gebleken van strijd met bepalingen voor het uitoefenen van mandaat uit afdeling 10.1.1. van de Awb. De door eiseres gemaakte vergelijking met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van State gaat dan ook niet op.”
8.2
De intermediair herhaalt in hoger beroep haar grond dat de besluiten niet voldoen aan de vereisten voor een elektronische ondertekening, omdat deze met een gescande handtekening zijn ondertekend. Iedereen kan volgens de intermediair een jpg-plaatje knippen en plakken, waardoor niet valt te controleren of degene van wie de naam onder de beslissing staat, deze ook daadwerkelijk heeft ondertekend. De handtekeningen voldoen volgens de intermediair niet aan de vereisten die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3355) heeft vermeld.
8.3
Het College stelt vast dat alle besluiten in deze zaak op papier staan en per post zijn verstuurd. Dat betekent dat artikel 2:16 (sinds 1 januari 2026: artikel 2:18) van de Awb, dat ziet op de ondertekening van langs de elektronische weg verzonden berichten, niet van toepassing is. Daarmee gaat de verwijzing van de intermediair naar voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die ziet op de toepassing van artikel 2:16 van de Awb, niet op. Het College ziet verder met de rechtbank in wat de intermediair heeft aangevoerd geen reden voor twijfel aan de juistheid en betrouwbaarheid van de ondertekening van de besluiten, of voor strijd met artikel 10:11, eerste lid, van de Awb. De enkele stelling van de intermediair dat niet valt te controleren of degene wiens naam onder de beslissing staat, deze ook daadwerkelijk heeft ondertekend, is daarvoor onvoldoende. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:63
Leave a Reply