Rb. Oost-Brabant 8 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2214 – Boete aan eenmanszaak en natuurlijke persoon voor hetzelfde feit = strijd met ne bis in idem. Is telkens dezelfde natuurlijke persoon.
Instantie: Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum publicatie: 16 april 2026
ECLI: ECLI:NL:RBOBR:2026:2214
Ne bis in idem
6. Eiser betoogt dat de minister handelt in strijd met het ne bis in idem beginsel doordat hij als natuurlijke persoon twee keer wordt beboet voor exact dezelfde overtredingen waaraan telkens dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. De minister heeft aan eiser zowel als feitelijk leidinggevende van de voormalige V.O.F. als in zijn hoedanigheid van eigenaar van de huidige eenmanszaak een boete opgelegd.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond slaagt. Op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Awb kunnen overtredingen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) is van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 5:43 van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb is bekendgemaakt. De omstandigheid dat eiser als natuurlijke persoon twee keer in een andere hoedanigheid bij de overtredingen is betrokken is niet relevant voor de beoordeling of sprake is van ne bis in idem. De rechtbank overweegt dat tussen eiser en zijn eenmanszaak geen onderscheid kan worden gemaakt omdat dit geen andere juridische entiteit is dan eiser zelf. De rechtbank wijst op de uitspraak van het College van 21 april 2020.7 Naar het oordeel van de rechtbank verzet zich verder ook artikel 51, tweede en derde lid, van het WvSr tegen deze dubbele beboeting van een natuurlijke persoon. Dit artikel maakt het mogelijk om een natuurlijke persoon aansprakelijk te stellen ter zake van het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een rechtspersoon gelijk wordt gesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen. Dit artikel staat niet toe dat aan een eenmanszaak én aan een feitelijk leidinggevende een boete wordt opgelegd en de manier waarop de minister nu toepassing geeft aan dit artikel leidt dus tot een situatie die de wetgever met de toepassing van artikel 51 van het WvSr niet voor ogen heeft gehad.
6.2.
Omdat wel sprake is van overtredingen, dient de rechtbank te beoordelen welk boetebesluit in stand moet worden gelaten. De mogelijkheid om een feitelijk leidinggevende te beboeten is een vervolg op het overtrederschap van de rechtspersoon. De minister heeft de maatschappelijke realiteit betrokken en de eenmanszaak als rechtsopvolger aangemerkt van de voormalige V.O.F. omdat de activiteiten van de voormalige V.O.F. op dezelfde voet zijn voortgezet door de eenmanszaak. Dat dit inderdaad de maatschappelijke realiteit is, is als zodanig niet door eiser betwist. Daarmee is eiser als eenmanszaak de rechtsopvolger van de voormalige V.O.F. en daarmee is de eenmanszaak terecht als de overtreder aangemerkt en beboet. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1. is geoordeeld, betekent dit dat het bestreden besluit voor zover daarbij de aan eiser in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggevende opgelegde boete is gehandhaafd, moet worden vernietigd. De met het primaire besluit van 21 december 2023 oplegde boete zal worden herroepen en de rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aan eiser als eenmanszaak opgelegde boete laat de rechtbank in stand.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2214
Leave a Reply