ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1382 – Procesfuik bij verlengde besluitvorming – appellant kan niet in hoger beroep tegen nieuw besluit gronden richten die eerder aan de orde hadden kunnen komen.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum publicatie: 11 maart 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:1382
Fragment:
De omvang van het geding
11. [appellanten] betogen dat de rechtbank de omvang van het geding ten onrechte beperkt heeft tot de constructieve veiligheid. Zij voeren daarvoor aan dat uit het handhavingsverzoek en het bezwaarschrift blijkt dat ook verzocht is om handhavend op te treden tegen de overkapping van een voormalige steeg tussen de [locatie 2] en [locatie 1], waarbij illegaal over de erfgrens heen is gebouwd en is aangesloten op hun woning. Daarom stellen zij dat wat zij over de overkapping naar voren hebben gebracht niet is aan te merken als nieuwe beroepsgrond. Zij voeren verder aan dat het vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting ook onwenselijk is als een nieuwe procedure moet worden opgestart over de overkapping.
[appellanten] betogen verder dat de rechtbank in de uitspraak van 5 januari 2023 daarom te beperkte onderzoeksvragen aan de STAB heeft gesteld. Daarnaast had de rechtbank volgens hen ook zonder deskundigenbericht van de STAB op dit punt tot het oordeel moeten komen dat de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de overkapping niet in overeenstemming zijn met de omgevingsvergunning 2012.
11.1. In de rechtspraak van de Afdeling is de mogelijkheid begrensd om nieuwe gronden aan te dragen in een beroep tegen een nieuw besluit dat genomen wordt nadat een eerder besluit is vernietigd. Die begrenzing houdt in dat geen gronden kunnen worden aangevoerd tegen het nieuwe besluit als die al tegen het oorspronkelijke besluit aangevoerd hadden kunnen worden. Gronden hadden niet eerder kunnen worden aangevoerd als bijvoorbeeld het nieuwe besluit de partij in een nadeligere positie brengt ten opzichte van het oorspronkelijke besluit en die gronden daarover gaan. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, onder 12.
11.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om inhoudelijk in te gaan op de beroepsgrond over de omvang van het handhavingsverzoek. Deze beroepsgrond had namelijk al tegen het besluit op bezwaar 2017 aangevoerd kunnen worden. In het afwijzingsbesluit staat dat verzocht is om handhavend op te treden tegen het pand aan [locatie 1] in Maasland omdat het niet aan de constructieve eisen van het Bouwbesluit 2012 zou voldoen. Dit verzoek is afgewezen, omdat het college geen aanleiding zag om te twijfelen aan de uitvoering van de bouwwerkzaamheden in overeenstemming met de omgevingsvergunning 2012. Met het besluit op bezwaar 2017 is het afwijzingsbesluit in stand gelaten. Daarmee heeft het college in het handhavingsverzoek alleen een verzoek gezien tot handhaving vanwege de constructieve veiligheid van de woning op [locatie 1]. Voor zover [appellanten] van mening waren dat het college hiermee een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het handhavingsverzoek kon hierover een beroepsgrond aangevoerd worden tegen het besluit op bezwaar 2017. Maar [appellanten] hebben dat niet gedaan. Daarmee valt deze beroepsgrond over de omvang van het handhavingsverzoek buiten de omvang van dit geding. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om inhoudelijk te oordelen over deze beroepsgrond en de STAB hierover aanvullende vragen te stellen. Omdat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt, kan ook uit oogpunt van finale geschilbeslechting niet worden toegekomen aan deze beroepsgrond.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:1382
Leave a Reply