ABRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5642 – Veronderstelling dat Suriname nog bij Nederland hoort is geen reden om boete voor vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning te matigen.
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 23 september 2026
Datum publicatie: 23 september 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:5642
Betrokkenen 1 en 2
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank de boete wat betrokkenen 1 en 2 betreft ten onrechte niet heeft gematigd. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom de evidente fout dat [appellant] dacht dat Suriname nog bij Nederland hoorde niet leidt tot verminderde verwijtbaarheid. Met de juiste kennis zou zij namelijk wel een tewerkstellingsvergunning hebben aangevraagd voor betrokkene 1. Toen zij voor haar alsnog een tewerkstellingsvergunning had aangevraagd heeft zij deze ook verkregen. Verder voert zij aan dat de minister bij het bepalen van de ernst van de overtredingen aansluiting had moeten zoeken bij de matigingsgrond ‘Kennismigrant’ uit de Beleidsregel 2020, waaruit een matiging van 75% volgt. De achterliggende gedachte van die matigingsgrond is namelijk dat een overtreding minder ernstig is, omdat het om een administratieve fout gaat. Volgens [appellant] gaat het bij de overtredingen voor zover het betrokkenen 1 en 2 betreft ook om slechts een administratieve fout en vindt er verder geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats. Ook had de minister voor betrokkene 2 aansluiting moeten zoeken bij de matigingsgrond ‘Studenten: incidenteel teveel gewerkt’ voor het geval waarin een student eenmalig of incidenteel teveel heeft gewerkt en waarbij de overschrijding van het toegestane aantal uur niet meer dan 8 uur bedraagt. Ook betoogt zij dat de minister de boete in elk geval met 50% had moeten matigen, omdat de minister de boetes voor de inleners ook heeft gematigd: voor de inlener van betrokkene 1 met 50% en voor de inlener van betrokkene 2 met 75%. Net als bij de inleners gaat het bij [appellant] om een eerste overtreding en had zij de betrokkenen correct in de administratie opgenomen. Verder heeft de minister niet gemotiveerd waarom hij van [appellant] als payrollbedrijf meer mag verwachten. De minister heeft in de regelgeving namelijk geen zwaardere zorgplicht of grotere verantwoordelijkheid voor payrollbedrijven opgenomen. Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel kan deze zwaardere zorgplicht dan ook niet aan [appellant] worden tegengeworpen.
5.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] voor zover het gaat om betrokkene 1 met grove schuld en voor zover het gaat om betrokkene 2 met een normale mate van verwijtbaarheid heeft gehandeld door onvoldoende te controleren of de betrokkenen in Nederland mochten werken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij het begin van het werk na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Zie hiervoor onder meer de uitspraak van 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4694, onder 2.3.1. Vast staat dat [appellant] betrokkenen heeft laten werken zonder dat zij over de vereiste tewerkstellingsvergunningen beschikte. Over betrokkene 1 heeft de vertegenwoordiger van [appellant] verklaard dat hij dacht dat Suriname nog bij Nederland hoorde en dat daarom geen tewerkstellingsvergunning vereist was. Dat [appellant] niet heeft opgemerkt dat zij die vergunning moest hebben, is in dit geval een ernstige nalatigheid alleen al omdat op het verblijfsdocument van betrokkene 1 stond dat een tewerkstellingsvergunning vereist was voor het verrichten van arbeid. Zij had bij een controle van de documenten dus makkelijk kunnen opmerken dat zij voor betrokkene 1 een tewerkstellingsvergunning moest aanvragen. Voor betrokkene 2 geldt dat zij al aan het werk was voordat [appellant] voor haar een tewerkstellingsvergunning had aangevraagd en verkregen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] in de gaten had moeten houden dat zij een tewerkstellingsvergunning moest aanvragen en dat zij de inlener had moeten informeren dat betrokkene 2 niet mocht werken voordat de tewerkstellingsvergunning was verleend.
Daarbij komt dat [appellant] een professioneel payrollbedrijf is en het tewerkstellen en verlonen van personeel haar kernactiviteit is, waarbij zij haar bedrijfsvoering zodanig ingericht moet hebben dat zij de naleving van de Wav grondig controleert. Hoewel de Afdeling onder 4.4 heeft overwogen dat payrollbedrijven in het algemeen geen bijzondere positie innemen in het kader van de Wav en dat zij dus op grond van de wet geen zwaardere zorgplicht hebben, kijkt de minister per overtreding naar alle relevante omstandigheden. Hieronder valt ook de bedrijfsvoering van de overtreder. De minister mocht daarom meewegen dat het in eerste instantie aan [appellant] is om ervoor te zorgen dat de uitgeleende medewerkers over de juiste documenten beschikken om te mogen werken.
5.2. De minister heeft in het nadeel van [appellant] meegewogen dat zij betrokkene 1 niet correct heeft verloond en bij betrokkene 2 heeft hij in haar voordeel meegewogen dat dit wel is gebeurd. Voor zover [appellant] betoogt dat de minister aansluiting had moeten zoeken bij de matigingsgrond ‘Kennismigrant’ uit de Beleidsregel 2020, kan dit haar niet baten. Zoals volgt uit de Beleidsregel 2020, geldt deze matigingsgrond alleen voor gevallen waarin een kennismigrant als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav (BuWav) heeft gewerkt terwijl er nog geen verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 is aangevraagd, maar waarbij wel aan alle overige voorwaarden voor de tewerkstelling als kennismigrant is voldaan. Daarbij geldt dat de regels voor toelating van kennismigranten soepeler zijn dan voor reguliere arbeidsmigranten voor wie de reguliere tewerkstellingsprocedure geldt. Zoals blijkt uit de toelichting bij het BuWav (Stb. 2004, 481, blz. 4) hoeven werkgevers van kennismigranten geen tewerkstellingsvergunning aan te vragen, omdat het risico op verdringing op de arbeidsmarkt lager is dan bij reguliere arbeidsmigranten. Voor deze kennismigranten gelden dus andere voorwaarden om toegelaten te worden tot de arbeidsmarkt. Dit verschil is terug te zien in de matigingsgrond ‘Kennismigrant’. De minister hoefde deze matigingsgrond niet toe te passen op de situatie van [appellant], omdat het in deze zaak niet om kennismigranten gaat. Daarnaast maakt de omstandigheid dat [appellant] een administratieve fout heeft gemaakt de overtreding niet minder ernstig, gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 5.1 heeft overwogen. Verder kan de matigingsgrond ‘Studenten: incidenteel teveel gewerkt’ [appellant] voor zover het gaat om de boete voor betrokkene 2 niet baten. Hoewel betrokkene 2 in week 32 van 2023 slechts 6,5 uur meer heeft gewerkt dan was toegestaan en dit dus binnen de maximale overschrijding van 8 uur valt om voor de matiging in aanmerking te komen, heeft zij ook gewerkt terwijl [appellant] nog niet in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning. Deze overtreding gaat dus niet uitsluitend over een urenoverschrijding, maar ook over het werken zonder een geldige tewerkstellingsvergunning. De minister hoefde deze matigingsgrond daarom niet toe te passen. De minister heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] in het geval van betrokkene 1 met grove schuld heeft gehandeld en in het geval van betrokkene 2 met een normale mate van verwijtbaarheid.
5.3. Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:5642
Leave a Reply