ABRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5647 – Als oorspronkelijke verjaringstermijn dwangsom naar oud recht nog niet was verstreken op 1 april 2021, is de verjaring van rechtswege verlengd.
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 23 september 2026
Datum publicatie: 23 september 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:5647
Verjaring rechtsvordering dwangsommen
8. [appellante] betoogt dat de volgens het college verbeurde dwangsommen vanwege verjaring niet meer kunnen worden ingevorderd.
8.1. In artikel 5:35, eerste lid, van Awb is bepaald dat de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom verjaart door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.
Het tweede lid van het hiervoor genoemde artikel luidt:
“Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart, bezwaar, beroep of hoger beroep openstaat of aanhangig is tegen de last onder dwangsom, wordt de verjaringstermijn verlengd tot onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist.”
8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is artikel 5:35, tweede lid, van de Awb per 1 april 2021 met onmiddellijke ingang in werking getreden (zie onder 10.4 van de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:322). Dat betekent dat de verjaringstermijn van rechtswege is verlengd als de oorspronkelijke verjaringstermijn van een jaar op 1 april 2021 nog niet was verstreken.
De begunstigingstermijn in het besluit van 7 juli 2020 eindigde op 21 juli 2020. Dat betekent dat de verjaringstermijn van eventuele in verband daarmee verbeurde dwangsommen op zijn vroegst kon zijn verstreken op 21 juli 2021. Aangezien artikel 5:35, tweede lid, van de Awb op dat moment al in werking was getreden en op dat moment beroep aanhangig was tegen de last onder dwangsom, kan van verjaring van de rechtsvordering tot betaling van de verbeurde dwangsom in dit geval geen sprake zijn.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:5647
Leave a Reply