ABRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5676 – Lex certa. Schrijft de WHW voldoende duidelijk voor welke informatie er verstrekt moet worden aan studenten over hun (niet erkende) master?

Print deze pagina

Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 23 september 2026

Datum publicatie: 23 september 2026

ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:5676

Informatieverstrekking

9. De onderwijsaanbieders betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in artikel 7.15 van de WHW niet is bepaald welke informatie aan studenten verstrekt moet worden. Uit het tweede lid en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2015/16, 34 412, nr. 3, p. 34) volgt dat in overleg tussen de belangenorganisaties van de onderwijsinstellingen en van de studenten verder uitgewerkt moet worden welke informatie verstrekt moet worden. Dat is niet gebeurd. Gelet hierop is artikel 7.15 van de WHW een onvoldoende uitgewerkte norm om daarop bestuurlijke boetes te baseren, aldus de onderwijsaanbieders.

9.1. De onderwijsaanbieders doen een beroep op het zogenoemde lex certa-beginsel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1977, onder 11.2), verlangt het lex certa-beginsel, dat onder meer besloten ligt in artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedragingen omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, de omschrijvingen van verboden gedragingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van wetgeving schade lijdt.

9.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de tekst van artikel 7.15, eerste lid, van de WHW voldoende duidelijk aangeeft waarover een onderwijsinstelling informatie moet verstrekken aan studenten en aspirant-studenten en wat het doel van deze informatieverstrekking is. Uit de wettekst van deze bepaling volgt dat het instellingsbestuur informatie aan studenten en aspirant-studenten verstrekt over de instelling, het te volgen onderwijs in algemene zin, de selectie van studenten en de opleidingsnamen en de graden die aan de opleidingen zijn verbonden. Dat de minister geen opvolging heeft gegeven aan de mogelijkheid van artikel 7.15, tweede lid, van de WHW om nadere specificaties te geven van de inhoud en de vorm van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding, betekent niet dat de bepaling op zichzelf niet voldoende duidelijk is. De kern van de bepaling is namelijk dat studenten en aspirant-studenten zodanige informatie moeten krijgen, dat zij in staat zijn de onderwijsmogelijkheden te vergelijken, zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en inrichting van het gevolgde of te volgen onderwijs en zich goed voor te bereiden op de gestelde eisen. In dat verband is het voor studenten en aspirant-studenten belangrijk om informatie te ontvangen over de in onderdelen a tot en met f van deze bepaling genoemde onderwerpen. Dat de minister zich in een brief aan de Tweede Kamer van 18 december 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 36 341, nr. 11, p. 9), waarnaar de onderwijsaanbieders hebben verwezen, op het standpunt heeft gesteld dat het beoordelen van de informatievoorziening bewerkelijk is, omdat onderwijsinstellingen, door de interpretatieruimte die artikel 7.15 van de WHW biedt, de voorlichting aan studenten en aspirant-studenten op een eigen manier vormgeven, betekent niet dat het opleggen van een sanctie wegens strijd met die bepaling in strijd is met het lex certa-beginsel.

9.3. Het betoog slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:5676

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *