ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1234 – dwangsommen opgelegd aan bestuurder én rechtspersoon (feitelijk hetzelfde vermogen) mochten allebei worden ingevorderd. Rb. uitspraak vernietigd.

Print deze pagina

Hoger beroep – invorderingsbesluiten

5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om het bedrag aan verbeurde dwangsommen te matigen. Hiertoe voert het college allereerst aan dat uit diverse uitspraken van de Afdeling en juridische vakliteratuur valt af te leiden dat wanneer sprake is van meerdere overtreders dit geen bijzondere omstandigheid vormt om het in te vorderen bedrag aan dwangsommen te matigen.

Volgens het college zijn daarnaast de argumenten die de rechtbank aandraagt onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het gedeeltelijk afzien van invordering. Zo ziet de rechtbank voorbij aan het karakterverschil tussen enerzijds kostenverhaal bij toepassing van bestuursdwang en anderzijds het invorderen van verbeurde dwangsommen. Bij kostenverhaal gaat het om een vergoeding van kosten die de overheid heeft gemaakt om een overtreding te beëindigen, terwijl het bij de invordering van dwangsommen gaat om het individueel aanspreken van partijen op de door hen begane overtreding, aldus het college. Ook de overweging dat de verbeurde dwangsommen feitelijk uit dezelfde beurs moeten worden betaald leidt volgens het college niet tot een omstandigheid die noopt tot matiging. Volgens het college gaat het namelijk om twee zelfstandige entiteiten.

Bovendien miskent de rechtbank volgens het college dat de matiging afdoet aan de prikkel die van een dwangsom moet uitgaan. Hierbij wijst het college op een uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2529. Omdat zowel [appellant sub 2] als De Handwijzer als overtreder kunnen worden aangemerkt, zou het afdoen aan de werking van de last als de één bevrijdend kan betalen voor de ander, aldus het college.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333, dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

5.2. Het college heeft op de zitting uiteengezet hoe wordt bepaald aan wie een last onder dwangsom wordt opgelegd bij een bedrijfsstructuur waarbinnen meerdere rechtspersonen zijn opgericht. Daarbij wordt als hoofdregel de houder van een omgevingsvergunning en de bestuurder van deze houder aangesproken om de geconstateerde overtreding ongedaan te maken. Zo worden de rechtspersonen die het nauwst betrokken zijn bij de geconstateerde overtreding aangemerkt als overtreder en aangesproken om de geconstateerde overtreding ongedaan te maken.

In dit geval is, op basis van deze uitgangspunten, aan zowel [appellant sub 2], de exploitant van de inrichting, als aan De Handwijzer, bestuurder en enig aandeelhouder van [appellant sub 2], afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd. Dat deze last opgelegd kon worden aan beide partijen is in hoger beroep niet in geschil. De Afdeling volgt de rechtbank daarmee niet in het oordeel dat de verwevenheid van deze rechtspersonen een bijzondere omstandigheid vormt die ertoe leidt dat invordering bij beide rechtspersonen onevenredig is. De Afdeling volgt het standpunt van het college dat zowel [appellant sub 2] als De Handwijzer het in hun macht hadden om een einde te maken aan de overtreding en dat de kans daarop, in overeenstemming met de bedoeling van de opgelegde last, juist wordt vergroot als aan beide rechtspersonen die last wordt opgelegd. De verwevenheid van beide rechtspersonen is dan niet van belang. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overwogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de in te vorderen bedragen moeten worden verlaagd.

Het betoog slaagt.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@130938/202103479-1-r4/

Print deze pagina

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.