ABRvS 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5027 – Rb verlengt begunstigingstermijn zelf – strijd met omvang geding / reformatio in peius verbod? Nee, mag en voordeliger voor appellant dus geen schending RIP verbod.

Print deze pagina

Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Datum publicatie: 26 augustus 2026

ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:5027

Uitspraak van de rechtbank

6.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar van 7 maart 2023 in strijd is met artikel 5:32a, tweede lid, en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, omdat de begunstigingstermijn in dat besluit is gewijzigd naar een datum die in het verleden ligt. De rechtbank heeft dat besluit om die reden vernietigd. Daardoor is de grondslag voor de invordering van de verbeurde dwangsom komen te vervallen, zodat de rechtbank de invorderingsbeschikking van 11 oktober 2023 ook heeft vernietigd. De rechtbank heeft verder bepaald dat de last zoals gewijzigd in het besluit van 7 maart 2023 gehandhaafd blijft, [appellant A] en [appellant B] tot zes weken na verzending van de uitspraak aan de last kunnen voldoen en haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Hogerberoepsgronden

Rechtsvoorgangers

7.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de rechtszekerheid, goede trouw, het vertrouwensbeginsel en de werking van bestemmingsplannen in de weg staan aan het enkel aan hen opleggen van een last onder dwangsom voor het verwijderen van de bebouwing. Daarover voeren zij aan dat de schuren al 30 tot 40 jaar aanwezig zijn, zodat ook de rechtsvoorgangers moeten worden aangeschreven. Het college dient daarom aan te tonen dat de rechtsvoorgangers van [appellant A] en [appellant B] eveneens zijn aangeschreven.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant A] en [appellant B] deze beroepsgrond niet eerder naar voren hebben gebracht. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.

Ten onrechte zelf in de zaak voorzien

8.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Daarover voeren zij aan dat de situatie van artikel 8:72 van de Awb zich niet voordoet. Er bleven na vernietiging van het besluit immers meerdere mogelijkheden over. Volgens hen had de rechtbank daarom moeten volstaan met het gegrond verklaren van het beroep. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, omdat in het dictum meerdere besluiten worden vernietigd. Deze innerlijke tegenstrijdigheid moet tot vernietiging van de uitspraak leiden.

Daarnaast voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat de rechtsgevolgen die de rechtbank heeft opgenomen leiden tot reformatio in peius. Volgens hen is dat in strijd met de rechtszekerheid.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2422), dient de rechtbank, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Bij het gebruik van deze bevoegdheid zal de rechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn en de toets aan het recht kan doorstaan. Bij die beoordeling worden de aard en de ernst van het gebrek betrokken. Niet is vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is.

8.2.    De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet zelf in de zaak heeft kunnen voorzien. Zoals onder 8.1 is overwogen, is voor de toepassing van die bevoegdheid namelijk niet vereist dat slechts één beslissing mogelijk is. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt, om de last te handhaven en daaraan een nieuwe begunstigingstermijn te verbinden. Dat ziet gelet daarop niet op het vernietigde invorderingsbesluit. Er is naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake van een tegenstrijdigheid in het dictum, zodat er ook geen aanleiding bestaat de uitspraak om die reden te vernietigen.

Voor de vraag of [appellant A] en [appellant B] door hun beroep in een nadeliger positie zijn komen te verkeren, en daarmee sprake is van reformatio in peius, moet de uitspraak van de rechtbank worden vergeleken met de beslissing op bezwaar. De rechtbank heeft in de uitspraak bepaald dat de last zoals die in de beslissing op bezwaar luidt wordt gehandhaafd, maar de begunstigingstermijn gesteld op zes weken na verzending van die uitspraak. Dat betekent dat de begunstigingstermijn door de uitspraak van de rechtbank liep tot 14 mei 2024. Dat is langer en daarmee voordeliger dan de begunstigingstermijn die in de beslissing op bezwaar stond. Die liep namelijk tot 26 oktober 2022. [appellant A] en [appellant B] zijn door hun beroep dus niet in een nadeliger positie komen te verkeren, waardoor er geen sprake is van reformatio in peius.

Het betoog slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:5027

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *