ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523 – opiumwetsluiting bij aantreffen voorwerpen die gebruikt kunnen worden voor drugsproductie. Toetsingskader ‘voorhanden hebben’ van voorbereidingsmiddelen en ‘weet of ernstige reden heeft om te vermoeden’.

Print deze pagina

Beoordeling hoger beroep

5.1. Onbestreden is het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat de in de loodsen aangetroffen voorwerpen gebruikt kunnen worden om een grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepplantage op te zetten. Ook is onbestreden het oordeel van de rechtbank dat de aangetroffen voorwerpen, gelet op de combinatie ervan, daartoe bestemd zijn. Omdat [wederpartij] de voorwerpen niet zelf voorhanden had en er niet van wist of er geen vermoeden van had, heeft de rechtbank het besluit op bezwaar toch vernietigd.

5.2. In hoger beroep is dus de vraag of, voor de bevoegdheid van de burgemeester bij artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, de aangeschreven persoon, in deze zaak de verhuurder, de aangetroffen voorwerpen voorhanden moet hebben. Verder is de vraag of deze ook weet of een ernstig vermoeden moet hebben, zoals opgenomen in artikel 11a van de Opiumwet.

voorhanden hebben of voorhanden zijn?

5.3. De Afdeling overweegt dat de burgemeester terecht aanvoert dat uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet volgt dat bij de vraag of hij op grond van die bepaling bevoegd is op te treden, het erom gaat dat in het pand voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. In artikel 11a van de Opiumwet wordt gesproken over het voorhanden hebben, maar in artikel 13b van die wet wordt gesproken over het voorhanden zijn. Dit verschil vindt ook bevestiging in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 1-3), waarin de wetgever de sluitingsbevoegdheid koppelt aan het aanwezig zijn van voorwerpen of stoffen in een pand. De aangeschreven persoon hoeft deze dus niet zelf voorhanden te hebben. Het vorenstaande betekent dat het voor de bevoegdheidsvraag niet relevant is of de aangeschreven persoon, in dit geval [wederpartij] in zijn hoedanigheid als verhuurder, de voorwerpen of stoffen voorhanden heeft.

Het betoog van de burgemeester slaagt in zoverre.

“weet of ernstige reden heeft om te vermoeden”

5.4. In onder meer de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617, heeft de Afdeling overwogen dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verband met artikel 11a van de Opiumwet bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet te handelen, zoals door middel van hennepteelt. In een dergelijk geval is het de betrokkene die in strijd met artikel 11a van de Opiumwet heeft gehandeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikelen 11a en 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 4, en Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 5) volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De beoordeling of sprake is van het beroeps- of bedrijfsmatig in strijd handelen met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is volgens paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet, in het geval van een hennepplantage, afhankelijk van het aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.

Ook is de burgemeester bevoegd als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om opzettelijk in strijd met artikel 3 van de Opiumwet te handelen en, zoals is vereist op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, het daarbij gaat om een grote hoeveelheid van de in lijst II, behorend bij de Opiumwet, bedoelde middelen. Uit artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit volgt dat van een grote hoeveelheid sprake is bij meer dan 500 g hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel.

Om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3) is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.

5.5. De wetgever heeft met de uitbreiding van artikel 13b van de Opiumwet bewerkstelligd dat de sluitingsbevoegdheid ook geldt in het geval in een pand strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a plaatsvinden. Sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet beoogt het beëindigen of opheffen van dergelijke locaties en betreft blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel een pandgerichte aanpak (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, blz. 2). Aldus is het de bedoeling van de wetgever geweest om de sluitingsbevoegdheid te koppelen aan hetgeen in een pand aan aanwezige stoffen en voorwerpen is aangetroffen. Artikel 11a van de Opiumwet ziet op de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor onder meer het telen of bereiden van drugs en betreft, gelet op de redactie van dat artikel, een persoonsgerichte aanpak.

Dat verschil tussen een pandgerichte (bestuurlijke) en een persoonsgerichte (strafrechtelijke) aanpak komt terug in de redactie van beide bepalingen. Anders dan artikel 11a van de Opiumwet richt artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet zich niet tot een persoon. Het is dus voor de vraag of zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet niet van belang of de aangeschreven persoon zelf wist of een ernstig vermoeden had dat de aangetroffen voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage.

In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b, aanhef en onder b, is hierover vermeld dat het inherent is aan de keuze om (een deel van de) strafbare voorbereidingshandelingen onder de reikwijdte van artikel 13b te brengen dat de burgemeester voldoende aannemelijk moet kunnen maken dat ook aan het subjectieve bestanddeel van die strafbare feiten is voldaan. Kenmerk van die strafbare feiten is immers dat op zichzelf legale gedragingen toch strafbaar zijn vanwege de intentie waarmee ze verricht worden. Die aannemelijkheid kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, blz. 6). In de totstandkomingsgeschiedenis is verder vermeld dat verwijtbaarheid van de verhuurder niet is vereist. Het gaat erom of de in het pand aangetroffen stoffen of voorwerpen, eventueel in combinatie met andere feitelijkheden, de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een verboden voorbereidingshandeling (Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, blz. 6).

Uit het vorenstaande volgt dat het subjectieve bestanddeel

“weet of ernstige reden heeft om te vermoeden” uit artikel 11a voor de toepassing van de sluitingsbevoegdheid op basis van de feitelijke situatie ter plaatse kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de burgemeester bevoegd is een pand te sluiten indien hij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat er in het pand voorwerpen aanwezig waren waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Hij hoeft dus niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden had dat de in het pand aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. Of de aangeschreven persoon wetenschap had, en of deze verwijtbaar heeft gehandeld, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mocht maken.

5.6. Het vorenstaande betekent voor deze zaak dat de rechtbank bij beantwoording van de vraag of de burgemeester bevoegd was de loodsen te sluiten ten onrechte van belang heeft geacht of [wederpartij] in zijn hoedanigheid als verhuurder de voorwerpen voorhanden had en/of wist dan wel ernstige reden had te vermoeden dat de in de loodsen aangetroffen voorwerpen bestemd zijn voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bevoegd was om de loodsen te sluiten. Nu niet in geschil is dat de in de loodsen aangetroffen voorwerpen, gelet op de combinatie ervan, bestemd zijn om een grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepplantage op te zetten en de burgemeester op basis van de feitelijke situatie, die blijkt uit de bestuurlijke rapportages, heeft mogen oordelen dat van deze voorwerpen kon worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze daarvoor bestemd waren, was de burgemeester bevoegd de loodsen te sluiten.

Het betoog van de burgemeester slaagt in zoverre.


https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2022:2523

Print deze pagina

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.